Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10-277 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een causale relatie bestaat tussen de borsttumor en de zwangerschap van betrokkene. De Raad heeft - ook met inachtneming van de toelichting door de bedrijfsarts - onvoldoende reden voor twijfel aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/1

Uitspraak

10/277 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 december 2009, 09/361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan dit geding heeft tevens als partij deelgenomen [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.M. Sadza, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2011. Namens appellante zijn verschenen [naam directeur], directeur human resource management, en drs. P.M.J. Swerts, bedrijfsarts, bijgestaan door mr. Sadza. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam als verzorgende in dienst bij appellante. In 2005 was zij zwanger van haar tweede kind. Tijdens de 23e week van de zwangerschap heeft zij zich ziek gemeld vanwege, naar later bleek, een borsttumor. Op 13 juni 2005 is zij bevallen van een dochter. Van 17 mei 2005 tot 6 september 2005 heeft betrokkene een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Appellante heeft betrokkene per 6 september 2005 ziek gemeld. Met ingang van laatstgenoemde datum is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Betrokkene is op 17 januari 2006 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts K. Huismans. Deze arts heeft in zijn rapportage vermeld dat hij betrokkene nog volledig arbeidsongeschikt achtte, maar dat de arbeidsongeschiktheid geen direct gevolg is van de zwangerschap en/of bevalling. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2008 aan betrokkene en aan appellante meegedeeld dat betrokkene met ingang van 17 januari 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 15 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen van 29 januari 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts valt af te leiden dat zij geen causaal verband aanwezig achten tussen de borstkanker bij betrokkene en de zwangerschap en/of bevalling. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, niet in strijd is te achten met de zorgvuldigheidsvereisten. Volgens de rechtbank zijn de verzekeringsartsen in voldoende mate ingegaan op de individuele omstandigheden van betrokkene. De rechtbank heeft -gelet op de voorhanden medische gegevens- geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen dat de ziekte van betrokkene niet voortvloeit uit de zwangerschap. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar situatie sprake is van een erfelijke belasting ten aanzien van borstkanker. Het Uwv heeft volgens de rechtbank dan ook terecht besloten om aan betrokkene met ingang van 17 januari 2006 geen ziekengeld meer toe te kennen.

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zowel medisch als juridisch sprake is van een causaal verband tussen de zwangerschap en het ontstaan van de borsttumor bij betrokkene. Volgens appellante is het bestreden besluit in strijd met de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” en heeft de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet de individuele gezondheidstoestand van betrokkene beoordeeld, maar is het oordeel gebaseerd op statistische (zuiver academische, niet-individuele) gegevens.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 29 januari 2009, in beroep aangevuld met de rapportage van 27 april 2009, op inzichtelijke wijze onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 17 januari 2006 niet haar oorzaak vindt in de zwangerschap en/of bevalling. Op basis van dossierstudie, een spreekuurgesprek met betrokkene, het bijwonen van de hoorzitting en literatuurstudie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat een causale relatie tussen het ontstaan van maligne borsttumoren en een zwangerschap er niet is, althans niet wetenschappelijk is aangetoond. Daartoe heeft hij erop gewezen dat statistisch gezien het ontstaan van borstkanker gedurende de zwangerschap een zeldzame aangelegenheid is (kans van 1 op 3000 tot 10.000 zwangerschappen), terwijl vrouwen een “all-time”risico van 12 -13% (ca. 1 op de 8 vrouwen) op het ontwikkelen van borstkanker hebben. Zwangerschap kan statistisch gezien wel invloed hebben op het tijdstip van ontstaan, het beloop en de prognose van een mammacarcinoom. Afhankelijk van een groot aantal andere variabelen kan dit zowel positief als negatief uitpakken, zodat het voor een individuele persoon niet te voorspellen is. Gezien het feit dat er buiten het mammacarcinoom geen andere diagnostische oorzaken voor de arbeidsongeschiktheid van betrokkene aan het licht zijn gekomen, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet in causaal verband staat met de voorafgaande zwangerschap of bevalling.

4.2. In zijn in beroep uitgebrachte rapportage van 27 april 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt toegelicht aan de hand van de door appellante genoemde Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”. Daarin heeft hij aangegeven dat betrokkene arbeidsongeschikt is geworden door de gevolgen van de borsttumor, maar dat deze aandoening weliswaar tijdens maar niet dóór de zwangerschap is ontstaan. Het is wetenschappelijk aangetoond dat het pathologisch ontwikkelingsproces van borstkanker zowel positief als negatief kan worden beïnvloed door een zwangerschap, waarbij het ontstaan (prevalentie) en vóórkomen (incidentie) van deze aandoening gedurende de zwangerschap statistisch aanzienlijk lager is dan daarbuiten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is de resultante van deze positieve en negatieve invloeden op individueel niveau niet te achterhalen of voorspellen en maakt dat niets uit voor de vaststelling dat er geen causale relatie bestaat tussen de aandoening borsttumor en zwangerschap en dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene dus ook geen gevolg is van haar zwangerschap of bevalling. Ook de bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen “keihard” bewijs is dat de zwangerschap de oorzaak is van de borsttumor. Wel ziet hij een duidelijke negatieve relatie tussen de kwaadaardige borsttumor bij betrokkene en haar zwangerschap. Nu dit standpunt voor de situatie van betrokkene niet met concrete medische gegevens is onderbouwd, acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een causale relatie bestaat tussen de borsttumor en de zwangerschap van betrokkene.

4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen nu op de door appellante aangevoerde gronden reeds in bezwaar en beroep gemotiveerd is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts en de Raad - ook met inachtneming van de toelichting door de bedrijfsarts - onvoldoende reden heeft voor twijfel aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK