Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
09-5019 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5019 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juli 2009, 08/8753 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Singh, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. Singh. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft hierbij het adres [adres 1] als zijn woonadres opgegeven (hierna: uitkeringsadres).

1.2. Naar aanleiding van een melding, onder meer inhoudende dat appellant samenwoont met [P.], heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Rotterdam (hierna: Afdeling BO) een administratief onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstandsuitkering. De bevindingen van dat onderzoek, neergelegd in een rapport van 9 oktober 2007, waren aanleiding voor een vervolgonderzoek door de buitendienst van de Afdeling BO. In het kader van dat onderzoek zijn in de periode van 6 tot en met 25 mei 2008 waarnemingen verricht onder meer bij het uitkeringsadres en het adres [adres 2], waar [P.] is ingeschreven. Op 29 mei 2008 hebben medewerkers van de Afdeling BO op beide adressen een huisbezoek gebracht, en aansluitend appellant en [P.] met de bevindingen van de huisbezoeken geconfronteerd. Bij het huisbezoek op het uitkeringsadres is geconstateerd dat in de woning behoudens vier stuks bovenkleding geen kleding van appellant aanwezig was, dat er enkele poststukken lagen maar geen administratie, dat er behoudens een paar potjes en zakjes kruiden en een stukje boter geen levensmiddelen in huis waren, dat de vuilnisbak niet in gebruik was, dat toilet en wastafel droogstonden, dat de douche al een behoorlijke tijd niet was gebruikt en dat het er muf rook. Appellant heeft tijdens het met hem gevoerde confrontatiegesprek onder meer verklaard dat hij verder nog maar één pantalon en één shirt heeft die bij zijn dochter op het adres [adres 2] liggen om gewassen te worden, dat hij geen sokken heeft, dat hij geen post en administratie bewaart maar alles weggooit en dat hij altijd in zijn woning eet. Vervolgens heeft appellant het gesprek beëindigd en de spreekkamer verlaten. Van de huisbezoeken en de gesprekken zijn, op 29 mei 2008 respectievelijk 3 juni 2008 gedateerde, rapporten gemaakt.

1.3. De resultaten van de onderzoeken zijn voor het College aanleiding geweest om de aan appellant verleende bijstand bij besluit van 3 juli 2008 met ingang van 1 juni 2008 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 29 mei 2008 tot en met 31 mei 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 85,37 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 20 oktober 2008, voor zover van belang, heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 juli 2008 en 8 juli 2008 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht bijstand met ingang van 29 mei 2008 niet meer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bij het besluit van 20 oktober 2008 gehandhaafde intrekking en terugvordering ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze beslissing van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft hij - samengevat - aangevoerd dat hij volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt, geen informatie heeft achtergehouden en het gesprek met medewerkers van de Afdeling BO op 29 mei 2008 slechts heeft verlaten om escalatie van de situatie te voorkomen en niet om zijn inlichtingenplicht te ontlopen. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat het waterverbruik in zijn woning bovengemiddeld is, dat hij zijn studerende en werkende dochter vaak naar haar werk of examen brengt en dat niet is aangetoond waar hij dan wel woonachtig zou zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de bijstand heeft ingetrokken over de periode van 29 mei tot en met 31 mei 2008 en in het besluit van 3 juli 2008 de intrekking van de bijstand vanaf 1 juni 2008 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in dat geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 29 mei 2008 tot en met 3 juli 2008.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inhoud van de onder 1.2 vermelde rapporten voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant in de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de in het rapport van 3 juni 2008 weergegeven bevindingen van het op 29 mei 2008 op dat adres afgelegde huisbezoek, welke door appellant niet zijn betwist. Het door appellant genoemde bovengemiddelde waterverbruik in zijn woning heeft niet plaatsgevonden in de hier te beoordelen periode en leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel. Met betrekking tot de omstandigheid dat appellant regelmatig zijn dochter wegbrengt merkt de Raad op dat dit gegeven niet van belang is voor de vraag waar appellant zijn hoofdverblijf heeft.

4.3. Aangezien appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven uitkeringsadres, heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant, zoals hij stelt, volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt en het gesprek met de medewerkers van de Afdeling BO op 29 mei 2008 slechts heeft verlaten om escalatie van de situatie te voorkomen kan daaraan geen afbreuk doen. Anders dan appellant stelt, was het College in de gegeven omstandigheden niet gehouden om te onderzoeken waar appellant dan wel zijn hoofdverblijf had. Nu onduidelijk is gebleven waar appellant wel heeft gewoond, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet worden vastgesteld of appellant met ingang van 29 mei 2008 recht op bijstand had.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

HD