Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
10-5325 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond verklaring van het beroep. De Raad is met verweerder van mening dat onder deze omstandigheden bij appellant geen ziekten of gebreken kunnen worden vastgesteld die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van de vader. De op grond van de Wuv gevraagde uitkering en voorzieningen zijn derhalve door verweerder op goede grond geweigerd.

Ongegrond verklaring van het beroep. De Raad stelt vast dat de vergevorderde ziekte van Alzheimer het niet mogelijk maakt op grond van psychiatrisch onderzoek vast te stellen of appellant, naast deze - niet causale - ziekte, nog lijdende is aan andere psychische aandoeningen; om dezelfde reden is het evenmin mogelijk om te beoordelen of een dergelijke thans eventueel aanwezige psychische aandoening redelijkerwijs in verband te brengen is met het overlijden van de vader van appellant en welke beperkingen daaruit eventueel voortvloeien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5325 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182) voortgezet door de Pensioen-en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 september 2010, kenmerk BZ01168543, BZ01 WUV 000112 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Voor verweerder is verschenen A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië. Zijn moeder is in 1939 overleden. Zijn vader, militair in het KNIL, is gevangen genomen en op 19 juni 1945 in kamp Tjimahi overleden. In juli 2009 heeft appellant een aanvraag gedaan om toekenning van onder meer een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv.

1.2. Bij besluit van 30 december 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat bij appellant geen ziekten of gebreken kunnen worden vastgesteld die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van zijn vader.

1.3. Appellant heeft aangevoerd dat de onderzoekend psychiater Paul R. Latimer in zijn rapport van 18 december 2009 bevestigend heeft geantwoord op de vraag of er bij appellant sprake is van een psychisch trauma en of dit in verband staat met het omkomen van de vader. Verweerder mocht niet zonder meer aan die conclusie voorbijgaan. Voorts stelt appellant dat het bepaalde in de Wuv zich niet ertegen verzet dat retrospectief wordt vastgesteld dat appellant ziekten of gebreken heeft die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van de vader.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ter beantwoording van de Raad staat de vraag of er bij appellant psychische ziekten of gebreken aanwezig zijn die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader. De Raad is met verweerder van oordeel dat deze vraag moet worden beantwoord naar de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvraag. Ten tijde van de aanvraag en het kort daarop gevolgde geneeskundig onderzoek leed appellant reeds aan de ziekte van Alzheimer in een vergevorderd stadium. Bij het opmaken van het sociaal rapport in augustus 2009 was appellant al niet in staat op eenvoudige vragen te antwoorden en blijkens het rapport van de psychiater Latimer van 18 december 2009 was geen zinvol gesprek met appellant mogelijk en is alle onderzoeksinformatie afkomstig van de echtgenote en dochter van appellant.

2.2. De Raad stelt vast dat de vergevorderde ziekte van Alzheimer het niet mogelijk maakt op grond van psychiatrisch onderzoek vast te stellen of appellant, naast deze - niet causale - ziekte, nog lijdende is aan andere psychische aandoeningen; om dezelfde reden is het evenmin mogelijk om te beoordelen of een dergelijke thans eventueel aanwezige psychische aandoening redelijkerwijs in verband te brengen is met het overlijden van de vader van appellant en welke beperkingen daaruit eventueel voortvloeien. In zijn rapportage legt Latimer een relatie tussen de blijkens de heteroanamnese in het verleden bestaand hebbende psychische problemen van appellant en het overlijden van diens vader. Nu een gericht psychiatrisch onderzoek niet mogelijk is en de traumatische gebeurtenissen al zo ver in het verleden liggen, draagt die conclusie, zoals Latimer in zijn nadere brief van 21 juli 2010 ook heeft erkend, een speculatief karakter. In het rapport wordt door Latimer ook niet aangegeven welke specifieke psychische aandoeningen, naast de ziekte van Alzheimer, nog bij appellant aanwezig zijn.

2.3. De Raad is met verweerder van mening dat onder deze omstandigheden bij appellant geen ziekten of gebreken kunnen worden vastgesteld die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van de vader. De op grond van de Wuv gevraagde uitkering en voorzieningen zijn derhalve door verweerder op goede grond geweigerd.

3. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra

(get.) N.M. van Gorkum

RB