Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
09/1503 WWB + 09/1505 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1503 WWB

09/1505 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2009, 08/1988 (hierna: aangevallen uitspraak I), en van 4 februari 2009, 08/2032 (hierna: aangevallen uitspraak II)

in het geding tussen:

S. [A.] wonende te [woonplaats] (hierna: [A.])

en

appellant,

respectievelijk in het geding tussen:

C. [M.], wonende te [woonplaats] (hierna: [M.])

en

appellant

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Namens [A.] heeft mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Namens [M.] heeft mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend. Nadien heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, zich voor [M.] gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Voor appellant is verschenen mr. I. Plaisier, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. [A.] is verschenen, bijgestaan door mr. N. Claassen, kantoorgenoot van mr. Halfers. [M.] is verschenen, bijgestaan door mr. Matadien.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden en van het hier relevante wettelijke kader verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. [A.] ontving vanaf 1 december 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft bij besluit van 13 december 2007 de algemene bijstand van [A.] met ingang van 1 december 2002 ingetrokken en de over de periode van 1 december 2002 tot en met 31 oktober 2007 gemaakte kosten van [A.] teruggevorderd en mede van [M.] teruggevorderd tot een bedrag van € 73.152,91. Bij een drietal afzonderlijke besluiten van 19 december 2007 is de in de jaren 2003 tot en met 2007 door appellant aan [A.] verleende bijzondere bijstand beëindigd (lees: ingetrokken) en zijn de desbetreffende bedragen van [A.] teruggevorderd en mede van [M.] teruggevorderd. In de hiervoor vermelde besluiten is er op gewezen dat [A.] en [M.] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de teruggevorderde bedragen.

1.2. Bij afzonderlijke besluiten van appellant van 3 april 2008, voor zover in deze gedingen van belang, zijn de tegen de besluiten van 13 en 19 december 2007 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.3. Aan de besluitvorming van appellant ligt ten grondslag het standpunt dat [A.] vanaf 1 december 2002 in haar woning aan de [adres 1] te [woonplaats] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [M.] en dat zij daarvan, in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting, geen mededeling heeft gedaan aan appellant. Dat standpunt berust op het resultaat van een door sociaal-rechercheur Havermans, werkzaam bij de sociale recherche van de gemeente Rotterdam, verricht onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is gesloten op 20 december 2007. Bij het proces-verbaal is onder meer gevoegd een onderzoeksrapportage van de sociale recherche Rotterdam van 1 juni 2007.

2.1. Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht, het beroep van [A.] tegen het jegens haar genomen besluit van 3 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en overwogen dat appellant opnieuw op de bezwaren van [A.] tegen de besluiten van 13 en 19 december 2007 zal moeten beslissen. In deze uitspraak zijn de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche uitgebreid weergegeven. De rechtbank heeft vervolgens het volgende overwogen, waarbij voor eiseres moet worden gelezen [A.]:

"Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport van Havermans onvoldoende grondslag voor de conclusie dat [M.] ten tijde hier in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad bij eiseres. Eiseres heeft erkend dat [M.] regelmatig in de woning aan de [adres 1] is, maar beiden hebben tijdens de verhoren consequent en gemotiveerd tegengesproken dat er sprake is van een situatie van samenwonen in de woning aan de [adres 1]. Voorts is van belang dat uit de waarnemingen niet is gebleken dat [M.] het merendeel van de nachten in de woning van eiseres doorbracht. Dat bij observaties de auto van [M.] regelmatig nabij de woning van eiseres werd waargenomen, levert onvoldoende grondslag voor de conclusie dat [M.] zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Bij het adres waarop [M.] staat ingeschreven zijn (nagenoeg) geen observaties verricht, er is daar geen buurtonderzoek verricht. Op geen van de adressen is een huisbezoek afgelegd. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van S. [M.], nu deze is gebaseerd op informatie "van horen zeggen". De verklaringen van de buurtbewoners zijn evenmin overtuigend, nu aannemelijk is dat zij geen volledig dan wel juist beeld hebben van het leven van eiseres. De overige bevindingen zoals die blijken uit het rapport van Havermans - indien deze al juist zouden zijn - , nopen niet, evenmin in onderlinge samenhang bezien, tot de overtuigende conclusie dat daadwerkelijk sprake is van hoofdverblijf van [M.] op het adres van eiseres".

2.2. Bij aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar oordeel zoals neergelegd in aangevallen uitspraak I, het beroep van [M.] tegen het jegens hem genomen besluit van 3 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en overwogen dat appellant opnieuw op de bezwaren van [M.] tegen de besluiten van 13 en 19 december 2008 zal moeten beslissen. Tevens zijn bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen - juist in onderlinge samenhang bezien - wel voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat [M.] ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had op het adres van [A.]. Appellant heeft daartoe het volgende naar voren gebracht:

"-uit observaties is gebleken dat de auto van [M.] bijna dagelijks bij de woning van [A.] is aangetroffen, waaronder heel vroeg in de ochtend, 's avonds en 's nachts;

-de verklaringen die [M.] heeft gegeven over de aanwezigheid van zijn auto aldaar zijn feitelijk niet juist, niet consistent en ongeloofwaardig;

-de verklaringen van de buurtbewoners kunnen wel bijdragen aan het bewijs van de samenwoning, aangezien de gehoorde buurtbewoners onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat [M.] woont aan de [adres 1];

-de hiervoor bedoelde verklaringen vinden steun in de informatie die is verkregen van de verhuurder van de woning van [A.], aangezien uit die informatie kan worden afgeleid dat bij de verhuurder bekend is dat [M.] al een aantal jaren onofficieel op het adres van [A.] verblijft;

-er zijn processen-verbaal van aangifte tegen [M.] als bewoner van [adres 1];

-uit informatie van de politie blijkt van melding van door [M.] veroorzaakte geluidoverlast en van inzet van het middel buurtbemiddeling, alsmede van een melding van [M.] zelf van overlast van jongeren nabij het adres van [A.];

-anders dan de rechtbank heeft aangenomen, is wel voldoende onderzoek verricht naar de adressen waar [M.] zei te wonen; zo heeft de eigenaar van de woning [adres 2], op welk adres [M.] in de GBA van de gemeente Rotterdam stond ingeschreven, verklaard dat [M.] dat adres gebruikte als postadres en is bij waarnemingen op dat adres de auto van [M.] niet aangetroffen;

-er zijn ook andere onderzoeksbevindingen, zoals het ontvangen van post op het adres van [A.], die er op wijzen dat [M.] zijn hoofdverblijf had op het adres van [A.];

-in het licht van het voorgaande kan ook zonder bekennende verklaringen van [A.] en [M.] hun samenwoning op het woonadres van [A.] worden aangenomen."

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat in deze gedingen uitsluitend in geschil is het antwoord op de vraag of in de hier van belang zijnde periode sprake was van hoofdverblijf van [M.] in de woning van [A.].

4.2. [A.] en [M.] hebben, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, elk tijdens de verhoren door de sociaal-rechercheur consequent en gemotiveerd tegengesproken dat in hun situatie sprake was van samenwoning. [A.] heeft slechts erkend dat [M.] regelmatig in haar woning was. Dat betekent dat aan de hand van de overige onderzoeksbevindingen moet worden vastgesteld of in de hier van belang zijnde periode sprake was van hoofdverblijf van [M.] in de woning van [A.]. De Raad ziet aanleiding bij de verdere beoordeling onderscheid te maken tussen twee periodes.

4.3. De periode van 1 december 2002 tot 1 januari 2005

4.3.1. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende feitelijke grondslag voor een bevestigende beantwoording van de onder 4.1 geformuleerde vraag. Gedurende deze periode is geen sprake geweest van waarnemingen of observaties. Er is geen huisbezoek in de woning van [A.] afgelegd. Behalve een mutatie-rapport van de politie van 8 april 2004 zijn geen gegevens van de politie voorhanden die op deze periode zien. De van de verhuurder van de woning van [A.] afkomstige gegevens zien ook niet op deze periode. Het door de sociaal-rechercheur verrichte administratief onderzoek heeft onvoldoende concrete gegevens opgeleverd om aan te nemen dat [M.] zijn hoofdverblijf bij [A.] heeft gehad. Dat sprake is geweest van het gebruik door [M.] van het adres van [A.] is daarvoor niet voldoende. [M.] heeft ook andere postadressen gebruikt. De Raad ziet in de voorhanden zijnde gegevens afkomstig uit het verrichte buurtonderzoek en uit de na 1 januari 2005 door de politie opgemaakte mutaties evenmin voldoende concrete aanwijzingen voor het aannemen van hoofdverblijf van [M.] in de woning van [A.] gedurende de periode tot 1 januari 2005.

4.4. De periode vanaf 1 januari 2005

4.4.1. De Raad komt met betrekking tot deze periode tot een ander oordeel, waartoe hij het volgende overweegt.

4.4.2. De bij de verhuurder van de woning van [A.] ingewonnen informatie heeft het volgende opgeleverd. In de maand januari 2005 hebben zich twee incidenten tussen een buurtbewoner en [M.] voorgedaan en hebben meerdere buurtbewoners aan de verhuurder verzocht om uitzetting van het gezin van [A.]. In die periode is, overigens zonder resultaat, getracht in verband met deze problemen buurtbemiddeling op te zetten. De Raad acht het niet aannemelijk dat [M.] hierbij werd betrokken als hij niet werd gezien als een van de leden van het gezin waarover door de buurt was geklaagd. De verhuurder heeft tevens vermeld dat op 13 maart 2007 in de woning van [A.] met haar en met [M.] is gesproken over het zogenoemde project privé-tuinen, waarbij [M.] zich als medebewoner opstelde. Tenslotte heeft een medewerker van de verhuurder aan de sociaal-rechercheur meegedeeld dat het al een aantal jaren bekend is bij de verhuurder dat [M.] onofficieel op het adres [adres 1] verblijft.

4.4.3. Appellant heeft zich voorts beroepen op gegevens afkomstig van de politie. Een van de bewoners van de [adres 1] heeft bij de politie in januari 2005 twee keer aangifte gedaan van bedreiging door [M.], zo blijkt uit de rapporten van aangifte. [M.] en [A.] hebben op 15 januari 2005 geklaagd over geluidsoverlast. Verder hebben de bewoners van de woningen [adres 1] op 15 juni 2006 geklaagd over geluidsoverlast van hun buren op nummer [nr.], waarbij is aangetekend dat [M.] zich volgens deze buren steeds agressief opstelt. De mutatie-rapporten van de politie zien voorts op een melding van [A.] en [M.] over vernielingen op 25 april 2006.

4.4.4. Appellant stelt zich verder op het standpunt dat [M.] niet heeft gewoond op het adres [adres 2] te [woonplaats]. [M.] heeft aangevoerd dat hij wel degelijk, te weten vanaf 30 oktober 2006, heeft gewoond op dat adres, op welk adres hij ook ingeschreven heeft gestaan in de GBA. De verhuurder van deze woning, die door de sociaal-rechercheur als getuige is gehoord, heeft evenwel verklaard dat [M.] daar feitelijk niet heeft gewoond en dat sprake is geweest van een postadres. De Raad ziet, mede gelet op de gedetailleerdheid van deze verklaring over de bewoning van deze woning, geen enkel aanknopingspunt voor het in de bezwaarfase door [M.] ingenomen standpunt dat deze verklaring niet objectief is.

4.4.5. Uit de in de maanden februari en maart van 2007 verrichte waarnemingen en observaties is naar voren gekomen dat de auto van [M.] veelvuldig nabij de woning van [A.] stond geparkeerd. Tevens is waargenomen dat [A.] en [M.] op 21 maart 2007 samen, in de auto van [M.], vanaf de woning van [A.] vertrokken voor een gesprek op het kantoor van de sociale dienst van de gemeente Rotterdam, en dat zij na afloop van dat gesprek ook weer samen wegreden. De in oktober 2007 verrichte stelselmatige observaties leverde eenzelfde resultaat op. Daarbij is de auto van [M.] ook in de vroege ochtend en in de nachtelijke uren aangetroffen. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat [M.] daarover deels inconsistente en deels ongeloofwaardige verklaringen heeft gegeven. Met de door [A.] [M.] hieromtrent tegenover de politierechter afgelegde verklaring is de frequente aanwezigheid van de auto van [M.] ter plaatse evenmin opgehelderd.

4.4.6. Appellant heeft zich ten slotte beroepen op het resultaat van het buurtonderzoek. In dat verband heeft appellant het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat de gehoorde getuigen een volledig of juist beeld hadden van de woonsituatie van [A.] en [M.] bestreden. De Raad kan appellant hierin volgen. Met name uit de verklaringen van de op 19 en 20 november 2007 als getuigen gehoorde [getuige 1], woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats], en [getuige 2], woonachtig aan de [adres 1], blijkt dat zij wel een duidelijk beeld hebben van de woonsituatie van [M.] en [A.]. Het proces-verbaal van het buurtonderzoek spoort bovendien op dit onderdeel met de op 28 februari 2007 door [getuige 3] afgelegde verklaring, zoals opgenomen in het rapport van 1 juni 2007.

4.4.7. Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt de Raad tot de conclusie dat vanaf 1 januari 2005 hoofdverblijf van [M.] op het woonadres van [A.] moet worden aangenomen. [M.] heeft zich nog beroepen op het gegeven dat bij een in maart 2005 in de woning van [A.] uitgevoerd huisbezoek geen persoonlijke eigendommen van hem zijn aangetroffen, en [A.] heeft zich beroepen op de door [A.] [M.] tegenover de politierechter afgelegde getuigenverklaring, waarin zij onder meer heeft verklaard dat [M.] elders woonde, dat hij geen spullen had in de woning van [A.] en dat hij daar ook niet sliep. Naar het oordeel van de Raad komt aan een en ander tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde onderzoeksbevindingen onvoldoende betekenis toe. Wat betreft de verklaring van [A.] [M.] merkt de Raad in dat verband nog op dat zij heeft verklaard in de periode van december 2002 tot mei 2007 op de [adres 1] te [woonplaats] te hebben gewoond, en dat zij daarnaast heeft verklaard op dat adres doordeweeks wel eens te slapen, hetgeen niet met elkaar valt te rijmen. Tevens heeft A. [M.] verklaard dat appellant op zijn woonadres geen post ontving.

4.4.8. Omdat uit de relatie van [A.] en [M.] een kind is geboren, moet aan de vaststelling dat vanaf 1 januari 2005 sprake is geweest van hoofdverblijf van [M.] in de woning van [A.] de gevolgtrekking worden verbonden dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. [A.] heeft daarvan, in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting, geen mededeling gedaan aan het College. Dat heeft ertoe geleid dat aan [A.] vanaf 1 januari 2005 ten onrechte bijstand is verleend. Appellant was derhalve ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand met ingang van 1 januari 2005 in te trekken. Het College was tevens ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, bevoegd de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2007 van [A.] terug te vorderen respectievelijk van [M.] mede terug te vorderen. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheden zijn in beroep geen zelfstandige gronden naar voren gebracht.

4.5. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.4 is overwogen niet onderkend. In zoverre slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraken komen derhalve voor vernietiging in aanmerking, zij het met uitzondering van de bepalingen ter zake van de proceskosten en het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen van [A.] en [M.] gegrond verklaren en de besluiten van 3 april 2008 vernietigen voor zover het betreft de intrekking van de algemene en bijzondere bijstand over de periode van 1 december 2002 tot en met 31 december 2004, en de terugvordering en de medeterugvordering geheel.

4.6. Nu met dit oordeel de materiële geschilpunten tussen partijen zijn beslecht, ziet de Raad geen reden om de definitieve beslechting van de geschillen aan zich te houden door middel van een tussenuitspraak (de zogenoemde bestuurlijke lus). De Raad zal appellant opdragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van [A.] en [M.], met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van [A.] en [M.]. Deze kosten worden in elke zaak begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken, met uitzondering van de bepalingen inzake proceskosten en griffierecht;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 3 april 2008 gegrond;

Vernietigt het jegens [A.] genomen besluit van 3 april 2008 voor zover het betreft de intrekking van de algemene en de bijzondere bijstand over de periode van 1 december 2002 tot en met 31 december 2004, en de terugvordering geheel;

Vernietigt het jegens [M.] genomen besluit van 3 april 2008 voor zover het ziet op de medeterugvordering;

Draagt het College op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van [A.] en [M.] tegen de besluiten van 13 en 19 december 2007, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van [A.] tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van [M.] tot een bedrag van € 644,--.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD