Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10-3766 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en Wubo-uitkering. In onvoldoende mate aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3766 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 juni 2010, kenmerk BZ 9302, JZ/O60/2010, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2009 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te komen voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellante heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië.

1.2. Bij besluit van 21 september 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Verweerder heeft daartoe overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die als burger tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, ofwel lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met vorenbedoelde omstandigheden

2.2. Als relevante oorlogsgebeurtenissen heeft appellante naar voren gebracht:

- het meemaken van een (voedsel)boycot door Indonesiërs in opdracht van de overburen;

- het meemaken van huiszoekingen door Japanse militairen;

- het meemaken van invallen door Indonesiërs waarbij spullen uit de woning werden meegenomen of werden vernield.

2.3. Met betrekking tot de (voedsel)boycot is de Raad met verweerder van oordeel dat deze gebeurtenis niet kan worden aangemerkt als een bijzondere oorlogsgebeurtenis in de zin van de Wubo. In het midden latend of de boycot heeft plaatsgevonden tijdens de oorlogsperiode in het voormalige Nederlands-Indië, het verhinderen door de Indonesische overburen dat verkopers hun waren aan appellante konden verkopen kan, overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad, niet worden aangemerkt als oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo. Van een tegen appellante gerichte handeling of maatregel die heeft plaatsgevonden door of vanwege de vijandelijke bezettende macht is naar het oordeel van de Raad geen sprake geweest.

2.4. Voor wat betreft de huiszoekingen door de Japanners en de invallen door Indonesiërs, moet de Raad vaststellen dat buiten de eigen verklaring van appellante geen bevestiging is verkregen van deze gebeurtenissen. Naar de Raad al meermalen heeft overwogen is de eigen verklaring, zonder dat deze door andere - objectieve - gegevens wordt ondersteund, onvoldoende om te kunnen aannemen dat de door de betrokkene gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Weliswaar wordt uitdrukkelijk verwezen naar hetgeen de dochter [naam dochter] (geboren in 1942) heeft verklaard, maar ook die gegevens leiden naar het oordeel van de Raad niet tot de vereiste bevestiging. Zo heeft zij aangegeven na de oorlog te hebben gehoord dat de Japanners geregeld het huis binnenkwamen en alles doorzochten. Verder heeft zij aangegeven dat ook in de Bersiap-periode angst bestond voor invallen door Indonesiërs. Van het verklaren uit eigen waarneming is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Verder wordt in aanmerking genomen dat de eigen aanvraag van [naam dochter], gebaseerd op dezelfde gebeurtenissen, door verweerder is afgewezen.

3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het beroep van appellante dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht, tot slot, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) N.M. van Gorkum.

KR