Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
10-3531 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft sinds medio februari 2007 kunnen nadenken over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst alvorens hij op 7 mei 2007 de overeenkomst voor akkoord tekende. Tevens heeft betrokkene hierover overleg kunnen voeren met zijn vakbondsvertegenwoordiger, zijn er verschillende gesprekken gevoerd tussen betrokkene en appellant op basis van concepten en is de vaststellingsovereenkomst aangepast aan de wens van betrokkene om het ontslag niet te baseren op artikel 8:6 van de CAR/UWO. Mede gelet op de jarenlange ervaring van betrokkene bij de gemeente en de hoge ambtelijke positie die hij daar bekleedde, acht de Raad het voldoende aannemelijk dat betrokkene bewust genoegen heeft genomen met ontslag waaraan een uitkering was gekoppeld gedurende 35 maanden. Dit blijkt nog eens te meer uit de opstelling die door en namens hem naderhand is ingenomen toen op tenuitvoerlegging van het overeengekomene werd aangedrongen. Hij kan daaraan dus worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/65
Module Ambtenarenrecht 2013/1492
Module Ambtenarenrecht 2014/1421

Uitspraak

10/3531 AW

10/4247 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Goedereede (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2010, 09/1454 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 21 juni 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. A.J.M. van Meer, werkzaam bij Van Kleef & Partners en P.J.E. Troost, werkzaam bij de gemeente Goedereede. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hindriks, juridisch adviseur.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is sinds 1 oktober 1985 werkzaam bij de gemeente Goedereede, laatstelijk in de functie van [naam functie] [naam afdeling]. In 2006 zijn er problemen ontstaan tussen betrokkene en appellant. Dit is aanleiding geweest voor betrokkene om zich met ingang van 20 februari 2007 terug te trekken als [naam functie] [naam afdeling].

1.2. Vervolgens is er veelvuldig overleg geweest tussen appellant en betrokkene waarin is besproken of betrokkene zijn werkzaamheden binnen de gemeente Goedereede of bijvoorbeeld het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Goeree Overflakkee zou voortzetten dan wel elders werk zou zoeken. Betrokkene heeft er voor gekozen zijn loopbaan buiten de gemeente voort te zetten.

1.3. Bij brief van 7 mei 2007 heeft appellant uiteindelijk een schriftelijk voorstel gedaan, waarin de tussen appellant en betrokkene eerder gemaakte afspraken zijn opgenomen. Betrokkene heeft dit voorstel op diezelfde dag voor akkoord getekend. Overeengekomen is dat - voor zover hier van belang - betrokkene met ingang van 1 mei 2007 twaalf maanden de tijd krijgt om met behulp van loopbaanbegeleiding een andere baan te vinden buiten de gemeente Goedereede. Tijdens deze periode vindt volledige salarisdoorbetaling plaats. Indien betrokkene op 1 mei 2008 geen andere baan heeft gevonden, zal aan betrokkene met ingang van die datum eervol ontslag worden verleend en een ontslaguitkering worden toegekend welke wordt aangevuld op basis van de bepalingen van hoofdstuk 10a van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Per saldo betekent dit een uitkeringsduur van

35 maanden.

1.4. Bij besluit van 24 juni 2008 is aan betrokkene met ingang van 1 mei 2008 op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO ontslag verleend wegens ongeschiktheid onder toekenning van een aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO voor ten hoogste 35 maanden.

1.5. Bij besluit van 26 maart 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

24 juni 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit is in zoverre gewijzigd dat het ontslag met ingang van 1 mei 2008 primair is verleend op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO en subsidiair op grond van artikel 8:1 van de CAR/UWO wegens een eigen verzoek van betrokkene.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt.

2.1. Hiertoe heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van een wilsgebrek niet aan de door hem ondertekende brief van 7 mei 2007 gehouden kan worden. Appellant kan zijn ontslagbesluit echter niet baseren op artikel 8:6 of artikel 8:1 van de CAR/UWO. Het beroep is gegrond wegens een motiveringsgebrek.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank in haar oordeel over het ongeschiktheidsontslag een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Volgens appellant is hierbij van belang dat hij min of meer gedwongen was de ontslaggrond van artikel 8:6 van de CAR/UWO ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. Hij diende immers uit de limitatief beschikbare ontslaggronden een grond te kiezen die invulling zou geven aan de overeengekomen uitkeringsduur van 35 maanden ten behoeve van het toekennen van de juiste werkloosheidsuitkering door het UWV.

3.2. De Raad kan appellant, evenals de rechtbank, hierin niet volgen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat artikel 8:6 van de CAR/UWO op verzoek van betrokkene en na overleg met appellant uit de brief van 7 mei 2007 is geschrapt. Deze brief moet gezien worden als een vaststellingsovereenkomst, welke de neerslag vormt van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid. Dit beginsel brengt voor het bestuursorgaan met zich dat het

- behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen - bij zijn besluitvorming de gemaakte afspraken in acht dient te nemen (CRvB 4 november 2004, LJN AR6107). De Raad acht het dan ook in strijd met de rechtszekerheid dat appellant eerst na overleg met betrokkene artikel 8:6 van de CAR/UWO uit de vaststellingsovereenkomst heeft verwijderd om vervolgens, nadat betrokkene deze overeenkomst voor akkoord heeft getekend, artikel 8:6 van de CAR/UWO aan het ontslag ten grondslag te leggen. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Een ontslagbesluit gebaseerd op artikel 8:6 van de CAR/UWO vindt geen steun in de vaststellingsovereenkomst en evenmin in de overige beschikbare feiten en omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.

3.3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt van een uit eigen vrije wil gedaan verzoek van betrokkene om ontslag. De wil van betrokkene om afscheid van appellant te nemen blijkt duidelijk uit zowel zijn verklaringen als zijn gedrag. Bovendien heeft betrokkene een betrekking elders aanvaard, welke betrekking hij geruime tijd heeft vervuld dan wel nog altijd vervult. De rechtbank heeft dit miskend.

3.4. De Raad deelt dit standpunt van appellant niet. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 3 januari 2008, LJN BC1687) is één van de voorwaarden voor het bestaan van een ontslagverzoek dat het tot een eigen en in vrijheid genomen besluit van de ambtenaar kan worden herleid. De Raad maakt uit de stukken op dat betrokkene in verband met zijn uitkeringsaanspraken heeft willen afzien van het indienen van een ontslagverzoek. Van een eigen en in vrijheid gedaan verzoek is dan ook geen sprake. De stelling van appellant dat het ontslagverzoek van betrokkene wordt ondersteund door de omstandigheid dat betrokkene een betrekking elders heeft aanvaard, kan de Raad niet volgen. Het aanvaarden van een betrekking elders staat los van een eventueel ontslag op eigen verzoek. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

3.5. De rechtbank heeft, gelet op bovenstaande, het beroep van betrokkene terecht gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3.6. De Raad komt vervolgens toe aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe besluit op bezwaar, dat de Raad op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrekt. Bij dat besluit is aan betrokkene met ingang van 1 mei 2008 op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag verleend wegens andere gronden onder toekenning van een aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO voor ten hoogste 35 maanden. Betrokkene heeft in het tegen dit besluit ingestelde beroep aangevoerd dat - kort samengevat - er onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig is voor een ontslag op andere gronden, appellant aan dit ontslag ten onrechte een beperkte uitkeringsduur van 35 maanden heeft gekoppeld, en dat appellant de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst niet van betrokkene had mogen vergen.

3.7. Zoals in 3.2 reeds overwogen zijn partijen in beginsel gebonden aan de vaststellingsovereenkomst op grond van het beginsel van rechtszekerheid. Dit beginsel brengt met zich dat de gemaakte afspraken in acht dienen te worden genomen tenzij sprake is van wilsgebreken. Daarvan is hier niet gebleken. De Raad stelt - met het oog op vorenstaande - vast dat in de vaststellingsovereenkomst ontslag is overeengekomen zonder dat daarbij een ontslaggrond is genoemd. Gelet op het gelimiteerde stelsel van ontslaggronden zoals neergelegd in hoofdstuk 8 van de CAR/UWO, en gelet op de omstandigheden van het geval, waarin sprake was van een impasse, is de Raad van oordeel dat appellant artikel 8:8 van de CAR/UWO aan het ontslag van betrokkene ten grondslag mocht leggen.

3.8. Ingevolge artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO treft het college in geval van ontslag op grond van dit artikel een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten, met dien verstande dat de betrokkene minimaal recht heeft op een aanvullende en een aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

3.9. Artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO is dwingendrechtelijk van aard. In dit geval hebben partijen echter uitdrukkelijk over de aan het ontslag te verbinden ontslagvergoeding onderhandeld. Daarom moet worden nagegaan of betrokkene in redelijkheid aan de inhoud van de gemaakte afspraken kan worden gehouden.

3.10. De omstandigheden zoals hier aan de orde leiden de Raad tot de volgende constatering. Betrokkene heeft sinds medio februari 2007 kunnen nadenken over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst alvorens hij op 7 mei 2007 de overeenkomst voor akkoord tekende. Tevens heeft betrokkene hierover overleg kunnen voeren met zijn vakbondsvertegenwoordiger, zijn er verschillende gesprekken gevoerd tussen betrokkene en appellant op basis van concepten en is de vaststellingsovereenkomst aangepast aan de wens van betrokkene om het ontslag niet te baseren op artikel 8:6 van de CAR/UWO. Mede gelet op de jarenlange ervaring van betrokkene bij de gemeente Goedereede en de hoge ambtelijke positie die hij daar bekleedde, acht de Raad het voldoende aannemelijk dat betrokkene bewust genoegen heeft genomen met ontslag waaraan een uitkering was gekoppeld gedurende 35 maanden. Dit blijkt nog eens te meer uit de opstelling die door en namens hem naderhand is ingenomen toen op tenuitvoerlegging van het overeengekomene werd aangedrongen. Hij kan daaraan dus worden gehouden.

3.11. Het vorenstaande betekent dat de nieuwe beslissing op bezwaar in stand kan blijven. Het beroep dat appellant daartegen heeft ingesteld wordt ongegrond verklaard.

3.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) S. Werensteijn.

HD