Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
09-6954 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Besluit is niet op een zorgvuldige wijze voorbereid, alsmede ontbreekt een draagkrachtige motivering. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het samenstel van bepalingen onder meer voort dat ook op degene die een onrechtmatige daad pleegt tegenover een ander, de inspanningsplicht rust om de daardoor ontstane schade te beperken in die zin dat op hem de plicht rust om de vergoeding van de schade na te komen op een jegens de gelaedeerde zorgvuldige en adequate wijze. Het Uwv had eerst moeten proberen te regelen dat de na te betalen WAO-uitkering direct aan appellante had kunnen worden uitbetaald. Niet is gebleken dat het Uwv na ontvangst van het verzoek van appellante van 12 september 2006, enige poging in deze richting heeft ondernomen. Dit maakt dat de schade voor appellante geheel aan het Uwv is toe te rekenen, ook voor zover het de in geding zijnde loonschade betreft. Het Uwv dient het geconstateerde gebrek van het besluit van 3 oktober 2008 te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/24

Uitspraak

09/6954 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[naam besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 november 2009, 08/7157 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S.P. Orban, werkzaam bij Achmea Vitale B.V. te

De Meern, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

Nadien heeft de Raad het onderzoek heropend.

Beide partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder behandeling ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 september 2004 heeft het Uwv het tijdvak waarin de in dit besluit genoemde werkneemster jegens appellante als werkgever recht heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Deze verlenging, ook wel loonsanctie genoemd, is opgelegd aan appellante over de periode van 13 september 2004 tot 13 januari 2005 wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen ten aanzien van de desbetreffende werkneemster van appellante die arbeidsongeschikt was geworden en een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) had aangevraagd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 22 februari 2006 heeft appellante beroep ingesteld. Het Uwv heeft vervolgens de aan appellante opgelegde loonsanctie ingetrokken bij besluit van 4 september 2006 en aan de desbetreffende werkneemster met ingang van 13 september 2004 alsnog een uitkering krachtens de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante heeft het door haar ingestelde beroep daarna ingetrokken en verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van het griffierecht, de proceskosten en tot vergoeding van de schade ter zake van doorbetaald loon tot een bedrag van € 1.911,76, alsmede de wettelijke rente over dit bedrag. In reactie op dit verzoek heeft het Uwv de rechtbank verzocht de gevorderde schadevergoeding af te wijzen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het door appellante onverschuldigd betaalde loon niet aan haar wordt vergoed, voor zover de werkneemster over diezelfde periode naderhand andere inkomsten heeft ontvangen, zoals een WAO-uitkering, hetgeen in dit geval aan de orde is. Appellante zal het onverschuldigd betaalde loon van de werkneemster moeten terugvorderen. Van schade is, zo heeft het Uwv verder te kennen gegeven, pas sprake als blijkt dat de werkneemster geen verhaal biedt.

1.3. Appellante heeft bij brief van 12 september 2006 het Uwv verzocht met de werkneemster te regelen dat de nog uit te keren WAO-uitkering niet aan werkneemster maar aan appellante wordt uitbetaald. Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellante het Uwv aan haar brief van 12 september 2006 herinnerd en gevraagd of de uitkering inmiddels aan de werkneemster is uitbetaald en, zo ja, waarom dat dan is gedaan, gelet op haar verzoek van 12 september 2006. Tevens heeft appellante erop gewezen, dat het Uwv dit in andere zaken wel zo heeft geregeld. Bij brief van 22 maart 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de WAO-uitkering aan de werkneemster is uitbetaald en dat niet is gebleken dat de werkneemster hem heeft gemachtigd om de betaling via appellante te doen plaatsvinden.

1.4. Bij uitspraak van 24 juli 2007 heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding aan appellante van het griffierecht en de proceskosten. Het verzoek om vergoeding van de schade heeft de rechtbank daarbij afgewezen, omdat dit verzoek – volgens de rechtbank – gelet op de inhoud van het geschil daarover tussen partijen, zich niet leent voor toepassing van artikel 8:73a van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit verzoek derhalve doorverwezen naar het Uwv.

2.1. Appellante heeft vervolgens het Uwv verzocht om schadevergoeding omdat zij door de ten onrechte opgelegde loonsanctie schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.911,76 wegens onverschuldigd betaald loon aan de desbetreffende werkneemster. Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, nu de over dezelfde periode aan de werkneemster toegekende WAO-uitkering aan die werkneemster is uitbetaald en zij om die reden in staat moet zijn om het ten onrechte betaalde loon aan appellante terug te betalen. Appellante moet, zo meent het Uwv, het loon terugvorderen van de werkneemster. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven wel bereid te zijn tot vergoeding van de wettelijke rente die wordt gevorderd over de door hem te betalen schadevergoeding en van de incassokosten en de proceskosten die appellante moet maken in verband met de terugvordering van het onverschuldigd betaalde loon, alsmede de werkgeverspremies en werkgeversbijdragen over (70% van) het loon, voor zover betaald aan fondsen waaraan het Uwv uitgaven in rekening kan brengen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2. Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat de ten onrechte opgelegde loonsanctie is aan te merken als een onrechtmatige daad van het Uwv die aan hem moet worden toegerekend, waarmee in beginsel de verplichting tot vergoeding van schade is gegeven. Nu evenwel aan de werkneemster de WAO-uitkering alsnog is uitbetaald, kan, zo heeft het Uwv gesteld, van appellante worden verlangd dat zij, vanuit een oogpunt van schadebeperking, het ten onrechte betaalde loon ter hoogte van het bedrag van de betaalde WAO-uitkering terugvordert van de werkneemster. In dit verband heeft het Uwv gewezen op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin het beginsel is neergelegd dat de benadeelde de schade zoveel mogelijk dient te beperken of te voorkomen. Mocht appellante, ondanks serieuze acties, niet slagen het ten onrechte door haar betaalde loon van de werkneemster terug te vorderen, dan ontstaat er, zo heeft het Uwv gesteld, pas schade die voor vergoeding door het Uwv in aanmerking kan komen. Tegen het besluit van 3 oktober 2008 heeft appellante beroep ingesteld.

2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen van oordeel te zijn dat het standpunt van het Uwv dat appellante het ten onrechte aan de werkneemster betaalde loon op die werkneemster dient te verhalen juist is. Ter onderbouwing van haar oordeel heeft de rechtbank de overwegingen 4.4 en 4.5 uit de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2009, LJN BJ4975 aangehaald.

3.1. In hoger beroep heeft appellante zich wederom op het standpunt gesteld dat het Uwv gehouden is haar de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de onrechtmatig opgelegde loonsanctie. Die schade bestaat uit het doorbetaalde (bruto) loon over de periode 13 september 2004 tot 13 januari 2005, inclusief alle werkgeverslasten en wettelijke rente. Appellante heeft daartoe gesteld dat het juist het Uwv was als schadeveroorzakende partij die zelf de schade (voor appellante) kon beperken door – zoals ook door haar aan het Uwv is gevraagd – met de werkneemster te regelen dat het over laatstgenoemde periode na te betalen bedrag aan WAO-uitkering aan haar werd uitbetaald. Appellante heeft gesteld dat het Uwv er klaarblijkelijk voor heeft gekozen dit niet met de werkneemster te regelen en dat komt, zo heeft appellante gesteld, voor rekening en risico van het Uwv. Het Uwv had immers als schadeveroorzakende partij op deze eenvoudige wijze voor verrekening kunnen zorgen en daarmee de schade kunnen beperken. Appellante heeft zich daarbij beroepen op andere gevallen waarin het Uwv wel tot een dergelijke verrekening is overgegaan. Tot slot heeft appellante gesteld dat het nalaten van een dergelijke verrekening in het kader van ‘eigen schuld’ voor rekening van het Uwv dient te blijven en derhalve geen invloed kan en mag hebben op de schadevergoeding aan appellante.

3.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verwezen naar het door hem ingenomen standpunt, als neergelegd in het besluit van 3 oktober 2008 en zijn in beroep ingediende verweerschriften. Nu appellante geen (kenbare) activiteiten heeft ontplooid om het onverschuldigd betaalde loon van de werkneemster terug te vorderen, heeft appellante naar zijn opvatting niet voldaan aan haar plicht tot schadebeperking. De omstandigheid dat het Uwv heeft verzuimd om – zoals door appellante was gevraagd – de werkneemster te verzoeken hem te machtigen de na te betalen WAO-uitkering aan appellante te betalen, maakt dit volgens het Uwv niet anders.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Naar de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 27 augustus 2008, LJN BE9369), dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 1 juli 1993, LJN ZC1036) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling het jegens de door de beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. In aansluiting hierop heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 februari 1998, LJN AA8776, geoordeeld dat, indien na bezwaar door een bestuursorgaan een besluit wordt herroepen, omdat het onrechtmatig blijkt te zijn, daarmee in beginsel ook de schuld van het bestuursorgaan met betrekking tot dat onrechtmatig gebleken besluit is gegeven.

4.2. Niet in geding is dat het Uwv bij besluit van 4 september 2006 de loonsanctie niet heeft gehandhaafd en deze heeft herroepen. Daarmee staat de onrechtmatigheid ervan vast. Met dit onrechtmatig genomen besluit heeft het Uwv een onrechtmatige daad begaan jegens appellante. Die onrechtmatige daad dient in beginsel aan het Uwv te worden toegerekend. Daarmee is de schadevergoedingsplicht voor het Uwv in beginsel gegeven.

4.3. Onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 27 augustus 2008 is de Raad van oordeel dat de door appellante geclaimde loonschade een gevolg is van de onrechtmatig opgelegde loonsanctie. Anders dan het Uwv stelt, is die schade voor appellante ontstaan met de uitbetaling aan de werkneemster van loon op grond van de – achteraf onrechtmatig gebleken – aan haar opgelegde loonsanctie over de periode van 13 september 2004 tot 13 januari 2005.

4.4. Tussen partijen is in geschil of het Uwv op goede gronden vergoeding van de geclaimde loonschade heeft geweigerd, voor zover het betreft het door appellante aan de werkneemster uitbetaalde loon over de aan de orde zijnde periode tot het bedrag van de na te betalen WAO-uitkering. Aan die weigering ligt het standpunt ten grondslag dat appellante, ter beperking van de schade, eerst de werkneemster dient aan te spreken over de terugbetaling van het over de loonsanctieperiode doorbetaalde loon, voor zover zij over die periode tevens een WAO-uitkering heeft ontvangen.

4.5. De Raad is van oordeel dat het besluit van 3 oktober 2008 niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede dat een draagkrachtige motivering ontbeert. Zoals hiervoor overwogen heeft het Uwv een onrechtmatige daad gepleegd tegenover appellante en is daardoor voor appellante schade ontstaan. De hieruit voortvloeiende verbintenissen, te weten de verplichting tot vergoeding van de schade die het rechtstreekse gevolg is van het onrechtmatige besluit, en het recht op nakoming van die verplichting, worden geregeld door het burgerlijk recht, waaronder artikel 6:101 van het BW. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit dit samenstel van bepalingen onder meer voort dat ook op degene die een onrechtmatige daad pleegt tegenover een ander, de inspanningsplicht rust om de daardoor ontstane schade te beperken in die zin dat op hem de plicht rust om de vergoeding van de schade na te komen op een jegens de gelaedeerde zorgvuldige en adequate wijze. In het voorliggende geval vloeit hieruit voort dat, zeker nu appellante hierom tijdig heeft verzocht – immers binnen tien dagen na het besluit tot intrekking van de sanctie, derhalve nog voor het betaalbaar stellen van de uitkering – op het Uwv de plicht rustte om zich er voor in te spannen dat de door appellante geleden schade zou worden vergoed op een voor appellante aanvaardbare en niet-belastende wijze. Anders dan het Uwv wellicht meent, kan het instellen van een loonvordering, bijvoorbeeld in de situatie dat de desbetreffende werkneemster bezig is om bij appellante in arbeid te re-integreren, voor zowel appellante als de werkneemster belastend zijn. Dit brengt mee dat het Uwv eerst had moeten proberen te regelen dat de na te betalen WAO-uitkering direct aan appellante had kunnen worden uitbetaald. Niet is gebleken dat het Uwv na ontvangst van het onder 1.3 genoemde verzoek van appellante van 12 september 2006, enige poging in deze richting heeft ondernomen. Dit maakt dat de schade voor appellante geheel aan het Uwv is toe te rekenen, ook voor zover het de in geding zijnde loonschade betreft.

4.6. Het Uwv dient het onder 4.5 geconstateerde gebrek van het besluit van 3 oktober 2008 te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het in 4.5 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.