Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10-712 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/712 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 december 2009, 09/2924 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr L.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 20 augustus 2010 een vraag van de Raad beantwoord door middel van inzending van een rapport van dezelfde datum van de bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Namens appellant was zijn voornoemde gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die voorheen werkzaam was als theatertechnicus, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, per 23 september 2005 ziek gemeld met (linker) arm-, hand- en schouderklachten alsmede in verband met gehoorproblemen. Bij besluit van 17 september 2008 heeft het Uwv appellant medegedeeld, dat voor hem na afloop van de wettelijke wachttijd, per 21 september 2007 geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 35%. Dit besluit is onder meer gebaseerd op het standpunt, dat uit rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige van het Uwv is gebleken, dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met aan deze beperkingen aangepaste arbeid een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% resteert. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2008. In het kader van dit bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn appellant onderzocht en op 5 februari 2009 rapport uitgebracht. In de door hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft hij een beperking aangegeven op het punt “horen”, onder meer op enkele andere items (frequent reiken tijdens het werk en frequent lichte voorwerpen hanteren) de beperking van “sterk beperkt” gewijzigd in “beperkt” en het tillen met de linkerhand mogelijk geacht tot 5 kg. De bezwaararbeidsdeskundige De Wit heeft op 11 maart 2009 gerapporteerd en de eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid nader toegelicht. Bij besluit van 16 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name aangevoerd, dat appellant last heeft van linker armklachten en nekklachten waardoor hij niet goed kan tillen en dragen en is gewezen op de bestaande gehoorproblemen en psychische klachten. In verband daarmee kan hij de geduide functies niet uitoefenen.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kon de rechtbank onderschrijven.

4. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn medische beperkingen zijn onderschat; met name acht hij het onjuist dat de FML in bezwaar door de bezwaarverzekeringsarts in die zin is aangepast dat er sprake in van minder ernstige beperkingen. Tevens heeft hij gewezen op zijn psychische klachten en op een verminderd reactievermogen als bijwerking van de door hem gebruikte pijnstillende medicatie. Ook is volgens hem door het Uwv een te laag maatmanloon gehanteerd te weten het minimumloon, omdat appellant een loongerelateerde WW-uitkering heeft ontvangen.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit geheel onderschrijven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de aanpassingen in de FML voldoende heeft onderbouwd, met name nu deze bij zijn onderzoek een goede beweeglijkheid van de schouders heeft vastgesteld en de knijpkracht van de handen in orde was; voor zijn oordeel is steun te vinden in de aanwezige informatie van de behandelend neuroloog van appellant. Van de zijde van appellant zijn in beroep noch in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken aan de beoordeling door de verzekeringsartsen. Het door appellant gestelde met betrekking tot zijn psychische klachten en de eventuele bijwerking van medicijnen is niet met nadere medische informatie onderbouwd.

5.3.1. Met betrekking tot het arbeidskundig deel van de schatting is de Raad van oordeel, dat de eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant reeds afdoende zijn toegelicht in het arbeidskundig rapport van 11 maart 2009. In de rapporten van 1 september 2009 en 20 augustus 2010 is nog op enkele punten een nadere verduidelijking gegeven. Ten aanzien van het item horen is appellant in de FML slechts beperkt geacht voor wat betreft conversatie in een drukke omgeving, met name aan de linkerzijde; in de geduide functies komen specifieke eisen op dit punt niet voor. Voor wat betreft het bezwaar van appellant tegen de functie van parkeerwachter omdat er zijn inziens sprake is van een overschrijding ten aanzien van het tillen, verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank terzake heeft overwogen en wel dat zwaar tillen in deze functie niet voorkomt en dat appellant met de rechterhand, waarmee tot 10 kg getild mag worden, het wisselen van de kaartrol moet kunnen uitvoeren. Dit oordeel wordt onderschreven. Ook overigens is niet gebleken dat appellant de geselecteerde functies niet zou kunnen vervullen.

5.3.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant tegen het in aanmerking genomen maatmanloon wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak -zie onder meer de uitspraak van 1 juli 1998, LJN AA8728 en die van 30 september 2009, LJN BJ9758- ingevolge welke in een situatie dat iemand, als appellant, al jaren werkloos is ten tijde van de ziekmelding terwijl inmiddels niet in enige arbeid is hervat, het gerechtvaardigd is om voor de vaststelling van het maatmanloon de langdurig werkloze met als inkomen het wettelijk minimumloon als uitgangspunt te nemen. Appellant ontving, zo zij nog opgemerkt, reeds vanaf 22 september 2005 in het kader van de WW een vervolguitkering.

5.4. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.