Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
09-1998 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag ANW-uitkering. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden voor toekenning van deze uitkering. De wetgever heeft met art. 11 ANW kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de diverse arbeidsongeschiktheidswetten. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de van medische beperkingen, zoals neergelegd in het FML. Psychische belastbaarheid is niet onderschat. Dat appellante is vrijgesteld van de sollicitatieplicht in het kader van de WWB betekent niet dat er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1998 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2009, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Gemeren. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren op [datum] 1951. In verband met het overlijden van haar echtgenoot op [datum] 2006 heeft zij bij de Svb een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Daarbij heeft appellante aangegeven dat zij geen kinderen heeft jonger dan 18 jaar en dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb ClientFirst verzocht om te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenuitkering afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van deze uitkering.

1.4. Bij brief van 7 september 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 augustus 2006. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij in het dagelijks leven ernstig belemmerd wordt door haar gezondheidsklachten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij gewezen op een door haar ontvangen indicatiebesluit van 4 augustus 2006 inzake huishoudelijke zorg en algemene ondersteunende begeleiding. Voorts heeft zij naast de medische gegevens van haar huisarts nog stukken overgelegd waaruit blijkt dat appellante in het kader van de bijstandsuitkering die zij ontvangt, in verschillende jaren en ook ten tijde in geding op medische gronden is vrijgesteld van de verplichting om loonvormende arbeid te verrichten. Op 8 januari 2007 heeft appellante haar bezwaar aangevuld met informatie van de Riagg Rijnmond waar zij onder behandeling is sedert 21 juli 2006. Hieruit blijkt dat er volgens de Riagg voldoende aanwijzingen zijn voor een diagnose depressieve stoornis.

1.5. Bij brief van 15 mei 2007 heeft de Svb de voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebruikte stukken, opgemaakt door ClientFirst, aan appellante doen toekomen. Uit die stukken blijkt dat appellante is gezien door verzekeringsarts M.V. Borkent en dat zijn onderzoek gericht is geweest op haar lichamelijke en psychische belastbaarheid. In zijn rapport van 22 juli 2006 heeft de verzekeringsarts als hoofddiagnose vastgesteld aspecifieke chronische lage rugklachten en als relevante nevendiagnose knieklachten, diabetes en buikklachten. Hoewel de klachten van appellante volgens Borkent slechts in beperkte mate objectiveerbaar zijn, heeft hij wel beperkingen vastgesteld ten aanzien van de rug- en kniebelasting. Beduidende psychische beperkingen zijn er volgens Borkent niet. De diabetes beperkt appellante ten aanzien van onregelmatige werktijden. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft appellante op 4 augustus 2006 een gesprek gehad met de arbeidsdeskundige W.Th. Pompe, die een aantal passende functies heeft geselecteerd. Op basis van de mediaan van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante (het wettelijk minimumloon), concludeert Pompe in zijn rapport van 10 augustus 2008 tot een arbeidsongeschiktheidspercentage op de datum in geding, zijnde [datum] 2006, van minder dan 45.

1.6. Op 2 mei 2007 is een hoorzitting gehouden. Hierbij heeft appellante nog aangegeven dat zij onder behandeling is bij de Riagg voor een depressieve stoornis omdat in korte tijd een aantal dierbaren zijn overleden en voorts dat haar chronische buikpijnklachten in het onderzoek door de verzekeringsarts onderbelicht zijn gebleven. Appellante acht zich niet tot arbeid in staat. Zij is daarbij van mening dat het onderzoek door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is geweest.

Op verzoek van de Svb heeft vervolgens een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt dat bezwaarverzekeringsarts G.A.C.G. Durlinger appellante heeft gezien en voorts op basis van alle aanwezige onderzoeksgegevens in zijn rapportage van 11 mei 2007 tot de conclusie is gekomen dat de gevalsbehandeling correct is verlopen en dat het onderzoek van verzekeringsarts Borkent op de juiste wijze is verricht. Durlinger is verder van mening dat de beperkingen en mogelijkheden van appellante op de datum in geding op de juiste wijze zijn aangegeven in het FML. De heroverweging in bezwaar leidt volgens Durlinger niet tot de noodzaak af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.

1.7. Bij besluit van 18 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in het beroep van appellante aanleiding gezien om een psychiatrisch onderzoek op te dragen aan psychiater E.F. van Ittersum teneinde nader te onderzoeken of appellante op en drie maanden na [datum] 2006 beperkingen op psychiatrisch gebied heeft en of haar belastbaarheid juist is weergegeven in de FML. Van Ittersum is blijkens zijn rapport van 11 september 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor een manifeste depressieve stoornis bij appellante en dat appellante ook overigens niet lijdt aan een ziekte en/of gebrek in psychiatrische zin. Voorts zijn er geen beperkingen op het niveau van gedragingen. Van Ittersum heeft de rechtbank gesuggereerd met betrekking tot de lichamelijke klachten van appellante een orthopedisch chirurg in te schakelen. Appellante heeft echter aan de rechtbank laten weten geen nader orthopedisch onderzoek te wensen.

De rechtbank heeft vervolgens in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het onderzoek door ClientFirst onvolledig en onzorgvuldig is geweest. Zij heeft wederom verwezen naar de medische keuringen die zijn verricht in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) op grond waarvan zij zou zijn afgekeurd om arbeid te verrichten. Appellante kan niet begrijpen dat de criteria voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ANW zo anders kunnen zijn dat zij voor die wet wel als arbeidsgeschikt wordt beschouwd. Voorts heeft appellante nog een aantal (medische) stukken aan de Raad toegezonden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1. In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.2.2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is”.

4.2.3. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de diverse arbeidsongeschiktheidswetten zoals de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.3. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen en dat er voorts onvoldoende grond is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts Borkent in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in het FML van 21 juli 2006. Door de bezwaarverzekeringsarts Durlinger is ook voldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan hij de bevindingen en conclusie van de verzekeringsarts kon onderschrijven. De door appellante ingebrachte informatie van de Riagg met betrekking tot haar psychische klachten, kan niet leiden tot het oordeel dat de psychische belastbaarheid van appellante ten tijde in geding is onderschat, nu psychiater Van Ittersum bij appellante geen beperkingen in psychiatrische zin aanwezig heeft geacht. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische gegevens doen geen twijfel rijzen aan de juistheid van de bij de FML gestelde functionele mogelijkheden van appellante op de datum in geding. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische stukken zien ook niet specifiek op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding. De Raad voegt hieraan toe dat een mogelijke toename van de beperkingen in 2008 en volgende jaren in de onderhavige beoordeling buiten beschouwing dient te blijven.

4.4. Met betrekking tot de door appellante overgelegde stukken die in het kader van het re-integratietraject in de WWB in diverse periodes zijn afgegeven, overweegt de Raad dat deze niet van (doorslaggevende) betekenis zijn voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ANW. Het medische toetsingskader van de WWB is immers een geheel andere dan dat van de arbeidsongeschiktheidswetten zoals genoemd in 4.2.3. Uit de enkele omstandigheid dat appellante is vrijgesteld van de sollicitatieplicht in het kader van de WWB kan ook niet worden afgeleid dat er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.

4.5. De Raad stelt ten slotte vast dat door of namens appellante geen gronden van arbeidskundige aard naar voren zijn gebracht. De Raad heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van de rechtbank dat de functies voor haar medisch geschikt zijn, onjuist is.

4.6. Het onder 4.2.1 tot en met 4.5 overwogene leidt tot het oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K.E. Haan.