Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
09/3705 WIA en 09/3706 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Partijen hebben over de betaling van wettelijke rente, over de alsnog ter dekking van het zogenoemde WIA-gat aan appellant betaalde WW-uitkering over het tijdvak van 22 oktober 2007 tot 7 juli 2008, inmiddels overeenstemming bereikt, zodat daarover geen beslissing meer gegeven hoeft te worden. 2) Hoogte IVA-uitkering. Het Uwv heeft de verzekerde jaren in Duitsland terecht gebaseerd op de opgave daaromtrent van Deutsche Rentenversicherung Bund. Ook de daarin opgenomen fictieve tijdvakken van verzekering in Duitsland dienen ingevolge onder meer het arrest van (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 18 februari 1992, C-5/91, Di Prinzio, betrokken te worden bij deze berekening. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten kan een verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. De Raad is derhalve van oordeel dat het meetellen van de fictief verzekerde tijdvakken in Duitsland niet een belemmering van het vrij verkeer van werknemers vormt. Op basis van de verzekerde tijdvakken in Duitsland en Nederland is het Nederlandse verhoudingscijfer op goede gronden berekend op 0,704.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/351

Uitspraak

09/3705 WIA en 09/3706 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2009, 08/1657 en 09/407 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Jong, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 december 2009 heeft mr. De Jong nadere stukken in het geding gebracht.

Naar aanleiding van vragen van de Raad hebben partijen vervolgens nog schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.F.M. Mollee.

Het onderzoek is ter zitting geschorst ten einde het Uwv de gelegenheid te bieden een drietal vragen te beantwoorden. Bij brief van 14 december 2010 zijn deze vragen beantwoord. Namens appellant heeft mr. De Jong gereageerd op deze brief.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 7 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.F.M. Mollee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf medio 1988 tot 16 december 2002 werkzaam geweest in loondienst in Nederland, laatstelijk in dienst van [naam werkgever] Nederland B.V. Ingaande

16 december 2002 is hij in Duitsland gaan werken in dienst van [naam werkgever] AG.

1.2. Op 10 juli 2006 heeft appellant zijn werk wegens ziekte gestaakt. Vervolgens heeft hij tot 22 oktober 2007 een Duitse ziekte-uitkering ontvangen. De Deutsche Rentenversicherung Bund heeft daarna aan appellant een “Rente wegen voller Erwerbsminderung” toegekend. Deze rente bedroeg in 2008 € 351,80 per maand.

1.3. In september 2007 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering met een verkorte wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.4. Bij besluit van 2 november 2007 heeft het Uwv geweigerd een uitkering ingevolge de Wet WIA aan appellant toe te kennen, omdat hij op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet in dienst was bij een Nederlandse werkgever. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij beslissing van

3 maart 2008 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het Uwv met ingang van 7 juli 2008 aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet WIA toegekend ter hoogte van

€ 1.912,91 bruto per maand. Bij de berekening van de hoogte van deze uitkering is het Uwv ervan uitgegaan dat appellant in Duitsland 6,5 jaren en in Nederland 15,459 jaren verzekerd is geweest, zodat het Nederlandse verhoudingscijfer 0,704 bedraagt.

1.6. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar, onder meer gericht tegen de wijze waarop de uitkering is berekend, is door het Uwv bij beslissing van

4 december 2008 (hierna: besluit 2) deels gegrond verklaard. Op grond van de nadere rapportage van een bezwaarverzekeringsarts is het Uwv tot de conclusie gekomen dat sprake is van een duurzame situatie van arbeidsongeschiktheid bij appellant, zodat met ingang van 7 juli 2008 een IVA-uitkering aan hem wordt toegekend. Het bezwaar is ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de berekening van de uitkering.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat niet gebleken is van enig belang van appellant bij het toekennen van een uitkering op grond van de Wet WIA met een verkorte wachttijd, nu inmiddels door het Uwv aan appellant over het tijdvak van 22 oktober 2007 tot 7 juli 2008 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) is toegekend.

2.2. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de rechtbank geen aanleiding heeft te twijfelen aan de juistheid van de berekening van de uitkering.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het beroep tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij is erop gewezen dat het Uwv heeft erkend dat met ingang van 22 oktober 2007 een IVA-uitkering toegekend had moeten worden. Voorts is aangevoerd dat wel belang bestond bij het beroep tegen dit besluit, omdat een verzoek om schadevergoeding was ingediend bij de rechtbank. Ten aanzien van de gestelde schade is aangevoerd dat wettelijke rente toegekend had moeten worden en dat tevens sprake is van materiële en immateriële schade.

3.2. Verder is namens appellant aangevoerd dat het beroep tegen besluit 2 ten onrechte ongegrond is verklaard. Appellant is van mening dat zijn uitkering op een te laag bedrag per maand is vastgesteld. Voor zover de berekening van dat bedrag juist is, meent appellant dat hij nadeel heeft ondervonden van het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Ook hierdoor heeft appellant materiële en immateriële schade geleden.

3.3. Bij brief van 7 juli 2011 is namens appellant verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de rechterlijke fase.

4. De Raad overweegt het volgende.

Besluit 1.

4.1. Tussen partijen is ten eerste in geschil of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen besluit 1 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellant daarbij geen belang meer zou hebben. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad vast dat appellant in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Voorts blijkt uit besluit 2 en met name de begeleidende brief bij dat besluit dat het Uwv het in besluit 1 neergelegde standpunt niet langer heeft gehandhaafd. Het Uwv is nader van oordeel dat appellant in beginsel aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de Wet WIA met een verkorte wachttijd, maar volgens het Uwv leidt dat niet tot een voor appellant gunstiger resultaat.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank onder deze omstandigheden ten onrechte het beroep van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu appellant een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had ingediend, had hij zonder meer belang bij gegrondverklaring van zijn beroep. De aangevallen uitspraak kan derhalve in zoverre niet in stand blijven.

4.3. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Nu partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de betaling van een uitkering aan appellant voorafgaande aan 7 juli 2008 is een opdracht tot het nemen van een nader besluit niet nodig.

4.4. Ten aanzien van de gevorderde schade stelt de Raad allereerst vast dat partijen over de betaling van wettelijke rente, over de alsnog ter dekking van het zogenoemde WIA-gat aan appellant betaalde WW-uitkering over het tijdvak van 22 oktober 2007 tot 7 juli 2008, inmiddels overeenstemming hebben bereikt, zodat daarover geen beslissing meer gegeven hoeft te worden. Met betrekking tot de overige gevorderde materiële en immateriële schade moet de Raad allereerst vaststellen dat deze schade niet nader is omschreven en desgevraagd ook niet nader is geconcretiseerd. In ieder geval is niet aangetoond dat meer en andere schade is geleden als gevolg van het niet tijdig toekennen van een uitkering ter dekking van het zogenoemde WIA-gat die niet reeds wordt gecompenseerd door de betaling van de wettelijke rente. Deze vordering dient derhalve afgewezen te worden.

Besluit 2.

4.5. Tussen partijen is ten aanzien van besluit 2 in geschil of het Uwv het bedrag van de aan appellant toegekende pro-rata uitkering op grond van de Wet WIA op juiste wijze heeft berekend. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat appellant ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in juli 2006 niet verzekerd was op grond van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving. Dat betekent dat hij op grond van de Wet WIA geen aanspraak heeft op een uitkering. Omdat appellant ten tijde van het intreden van zijn invaliditeit wel in Duitsland verzekerd was, werd hij op grond van Bijlage VI, Nederland, onder 4, sub a, bij EG-Verordening 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71) met het oog op de toepassing van titel III, hoofdstuk 3, van Vo. 1408/71 geacht verzekerd te zijn ingevolge de Wet WIA. Voorts is in Bijlage VI, onder 4, sub b, bepaald dat de berekening van de uitkering in die gevallen dient te geschieden volgens artikel 46, tweede lid, van Vo. 1408/71.

4.6. Het Uwv heeft de berekening van de aan appellant toegekende IVA-uitkering gebaseerd op dit artikellid. Bij de vaststelling van het verhoudingscijfer in het kader van deze berekening is het Uwv ervan uitgegaan dat appellant 6,5 jaren in Duitsland en 15,459 jaren in Nederland verzekerd is geweest tegen arbeidsongeschiktheid. De Raad is van oordeel dat het Uwv de verzekerde jaren in Duitsland terecht heeft gebaseerd op de opgave daaromtrent van Deutsche Rentenversicherung Bund. Ook de daarin opgenomen fictieve tijdvakken van verzekering in Duitsland dienen ingevolge onder meer het arrest van (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 18 februari 1992, C-5/91, Di Prinzio, betrokken te worden bij deze berekening.

4.7. Namens appellant is aangevoerd dat het meetellen van de fictief verzekerde Duitse tijdvakken tot een voor hem ongunstig resultaat leidt, omdat deze tijdvakken slechts in beperkte mate bijdragen aan de hoogte van de Duitse uitkering en daardoor de korting op de Nederlandse uitkering naar rato van de verzekerde tijdvakken in Duitsland tot een onevenredig resultaat leidt. Appellant is van mening dat het meetellen van deze tijdvakken leidt tot een belemmering van het vrij verkeer van werknemers als bedoeld in (thans) artikel 45 VWEU. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat

Vo. 1408/71 is gebaseerd op (thans) artikel 48 VWEU. Dit artikel voorziet in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake sociale zekerheid en raakt niet aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het recht van de Unie de voorwaarden voor toekenning van prestaties krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen. Dit betekent blijkens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer het arrest van 16 juli 2009, C-208/07, von Chamier-Glisczinski) dat ook artikel 45 VWEU een verzekerde niet kan waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor de prestaties bij invaliditeit, neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. De Raad is derhalve van oordeel dat het meetellen van de fictief verzekerde tijdvakken in Duitsland niet een belemmering van het vrij verkeer van werknemers vormt.

4.8. Op basis van de hiervoor vermelde verzekerde tijdvakken in Duitsland en Nederland is het Nederlandse verhoudingscijfer berekend op 0,704. Nu uit het vorenstaande voortvloeit dat de verzekerde tijdvakken op de door appellant genoemde aspecten niet onjuist zijn vastgesteld, stelt de Raad ten slotte vast dat dit verhoudingscijfer, zoals partijen ter zitting ook hebben bevestigd, overigens in ieder geval niet ten nadele van appellant is vastgesteld.

4.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.5 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep voor het overige niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

5.1. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn overweegt de Raad het volgende.

5.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties - zoals de onderhavige - in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn is aangevangen met het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2007. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift op 24 november 2007 tot de datum van deze uitspraak is nog geen vier jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het verzoek van appellant om vergoeding van de geleden schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de rechterlijke fase dient dan ook te worden afgewezen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant ten aanzien van besluit 1 in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Daarbij merkt de Raad op dat het Uwv in de loop van deze procedures besluit 1 niet langer heeft gehandhaafd en het besluit van 2 november 2007 feitelijk heeft herroepen door alsnog een uitkering aan appellant toe te kennen ter dekking van het genoemde WIA-gat. De proceskosten worden begroot op € 644,- voor in bezwaar, € 644,- voor in beroep en € 966,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1

niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Wijst het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot besluit 1 af;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Wijst het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.254,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het gestorte griffierecht van € 110,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K.E. Haan.