Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
11/26 AKW + 11/6141 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad (LJN BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 27 van KB 746 – anders dan de rechtbank en de Raad – een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb medegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant met terugwerkende kracht verzekerd wordt geacht krachtens de AKW. De Svb heeft terecht kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2009. De Svb heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op 22 september 2009 een aanvraag om kinderbijslag van appellant is ontvangen en dat niet is gebleken van een eerder moment van veiligstellen op grond waarvan een bijzonder geval moet worden aangenomen voor een langere terugwerkende kracht dan een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/26 AKW + 11/6141 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2010, 10/1011 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 juli 2011 heeft de Svb gereageerd op een vraag van de Raad.

Op 11 oktober 2011 heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2011. Namens appellant zijn verschenen mr. Kiela en de heer D. Ayoubi. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in het verleden werkzaam geweest in Nederland en is in 1994 teruggekeerd naar Marokko. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft aanvankelijk met ingang van 30 september 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een procedure heeft het Uwv in 2008 alsnog vanaf 1993 een WAO-uitkering aan appellant toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 22 september 2009 heeft appellant een aanvraag om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2010 (besluit 1) heeft de Svb zijn besluit van 17 november 2009 gehandhaafd, waarbij is geweigerd over het derde kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2009 kinderbijslag aan appellant toe te kennen, omdat appellant niet verzekerd was krachtens de AKW.

2. De rechtbank heeft het tegen besluit 1 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraken van de Raad van 3 februari 2010 (LJN BL3516, e.a.). In die uitspraken heeft de Raad overwogen dat de Svb het daadwerkelijk toekennen van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999 terecht bepalend heeft geacht voor de toepassing van artikel 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746). De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant niet met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999 omdat appellant zijn aanspraken op kinderbijslag niet heeft veiliggesteld.

3. Namens appellant is aangevoerd dat hij wel (voortgezet) verzekerd was ingevolge de AKW. Hierbij is namens appellant gewezen op een besluit van de Svb van 19 december 2002 waarin wordt verwezen naar een brief van 19 maart 1998 van appellant waarin hij een verzoek tot herziening van zijn kinderbijslagaanspraken heeft ingediend. Volgens appellant heeft hij hiermee zijn aanspraak op kinderbijslag al in 1998 veiliggesteld. Dit betekent volgens appellant dat hij in het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag.

4.1. Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (LJN BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 27 van KB 746 – anders dan de rechtbank en de Raad – een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb bij brief van 13 juli 2011 medegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant met terugwerkende kracht verzekerd wordt geacht krachtens de AKW.

Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 11 oktober 2011 (besluit 2) medegedeeld dat appellant geen kinderbijslag krijgt toegekend vanaf het eerste kwartaal van 1997 tot en met het tweede kwartaal van 2008. Aan appellant wordt wel kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2009. De Svb heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op 22 september 2009 een aanvraag om kinderbijslag van appellant is ontvangen en dat niet is gebleken van een eerder moment van veiligstellen op grond waarvan een bijzonder geval moet worden aangenomen voor een langere terugwerkende kracht dan een jaar.

4.2. De Raad heeft aanleiding gezien besluit 2 op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling van het hoger beroep te betrekken, nu met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat de Svb de weigering van kinderbijslag aan appellant omdat hij niet verzekerd is geweest, niet langer handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het daarbij gehandhaafde besluit 1 niet in stand kunnen blijven. Vervolgens dient de Raad te beoordelen of besluit 2 in rechte stand kan houden.

5.3. Tussen partijen is nog in geschil of de Svb terecht geweigerd heeft met een langere terugwerkende kracht kinderbijslag aan appellant toe te kennen.

5.4. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De Svb is bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken van de termijn van één jaar.

5.5. Voor zover sprake is van een aanvraag heeft de Svb in gevallen als het onderhavige aan het begrip bijzonder geval invulling gegeven door een dergelijk geval aan te nemen wanneer de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze veilig heeft gesteld. Van “veiligstellen” is volgens de Svb sprake als vóór het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan de Svb in het kader van de aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad wijst dienaangaande ook op zijn uitspraak van 16 april 2009 (LJN BI1505).

5.6. Evenals de Svb is de Raad niet gebleken van een daad van “veiligstellen” als hiervoor bedoeld. Weliswaar kan uit het door appellant onder overweging 3 genoemde besluit van 19 december 2002 worden opgemaakt dat sprake is geweest van een eerdere aanvraag om kinderbijslag, maar niet dat de Svb hierbij tevens is geïnformeerd over een lopende procedure omtrent zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde bevestigd dat hij niet over meer stukken beschikt dan hij in het geding heeft gebracht.

5.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de Svb terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen en terecht het recht op kinderbijslag van appellant heeft beoordeeld over de periode van het derde kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2009.

5.8. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.7 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen besluit 1 gegrond dient te worden verklaard. Het beroep tegen besluit 2 wordt ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten die appellant wegens aan hem verleende rechtsbijstand heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 437,- in beroep en € 874,- in hoger beroep. Voor de procedure in hoger beroep is een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand afgegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.311,-, waarvan € 874,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

KR