Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/344 AKW + 11/4181 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad (LJN BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 27 van KB 746 – anders dan de rechtbank en de Raad – een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb bij besluit 2 medegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant, op een andere grondslag dan in besluit 1, over het vierde kwartaal van 1999 geen theoretisch recht op kinderbijslag had omdat hij in dat kwartaal geen kinderen had die jonger waren dan 18 jaar. Hierdoor is appellant niet voortgezet verzekerd vanaf het eerste kwartaal van 2000 en heeft hij geen recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/344 AKW + 11/4181 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009, 09/291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 juli 2011 heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Naar aanleiding van die zitting heeft de Svb bij brieven van 31 augustus 2011 en 23 september 2011 vragen van de Raad beantwoord.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting hervat op 21 oktober 2011. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in het verleden in Nederland werkzaam geweest en is in 1996 teruggekeerd naar Marokko. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft in 2008 met ingang van 26 maart 1997 aan appellant een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf juli 2007 ontvangt appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van minder dan 35% van het bruto minimumloon.

1.2. Appellant heeft op 20 augustus 2008 een aanvraag om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb ten behoeve van zijn drie kinderen geboren in 1972, 1976 en 1978.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2008 (besluit 1) heeft de Svb zijn besluit van 14 november 2008 gehandhaafd, waarbij is geweigerd vanaf het derde kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2008 kinderbijslag toe te kennen, omdat appellant niet verzekerd was krachtens de AKW op grond van artikel 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746), nu hij over het vierde kwartaal van 1999 geen recht had op kinderbijslag.

2. De rechtbank heeft het tegen besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is aangevoerd dat hij wel verzekerd is ingevolge de AKW.

4.1. Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (LJN BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 27 van KB 746 – anders dan de rechtbank en de Raad – een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb bij besluit van 14 juli 2011 (besluit 2) medegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant, op een andere grondslag dan in besluit 1, over het vierde kwartaal van 1999 geen theoretisch recht op kinderbijslag had omdat hij in dat kwartaal geen kinderen had die jonger waren dan 18 jaar. Hierdoor is appellant niet voortgezet verzekerd vanaf het eerste kwartaal van 2000 en heeft hij geen recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2008.

4.2. De Raad heeft aanleiding gezien het besluit 2 op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling van het hoger beroep te betrekken, nu met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Uit besluit 2 blijkt dat de Svb de weigering van kinderbijslag op de in besluit 1 aangegeven grondslag niet langer handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het daarbij gehandhaafde besluit 1 niet in stand kunnen blijven. Vervolgens dient de Raad te beoordelen of besluit 2 in rechte stand kan houden.

5.3. Door appellant is niet weersproken en ook uit de gedingstukken is niet gebleken dat appellant zijn rechten op kinderbijslag op een eerder moment dan de datum van aanvraag op 20 augustus 2008 heeft veiliggesteld, zoals bedoeld in de uitspraak van 16 april 2009 (LJN BI1505). Dit betekent dat de Svb het recht op kinderbijslag terecht heeft beoordeeld over de periode vanaf het derde kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2008.

5.4. Voorts stelt de Raad vast dat appellant over het vierde kwartaal van 1999 geen recht had op kinderbijslag omdat hij geen kinderen had die jonger waren dan 18 jaar. De Svb heeft appellant terecht niet voortgezet verzekerd geacht in de zin van artikel 27 van KB 746 en hij kan ook geen aanspraak ontlenen aan het per 1 januari 2006 in werking getreden artikel 7c van de AKW. Daarnaast heeft appellant gedurende de kwartalen in geding ook geen kinderen van jonger dan 18 jaar waarvoor recht op kinderbijslag zou kunnen bestaan.

5.5. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen besluit 1 gegrond dient te worden verklaard. Het beroep tegen besluit 2 wordt ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.