Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
09-1989 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging aanvullende bijstandsuitkering. Inkomen ligt boven de geldende norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1989 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[Appellante]. wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 maart 2009, 08/7188 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 5 oktober 2011, waar mr. Jankie namens appellante is verschenen en waar het College zich na voorafgaande berichtgeving niet heeft laten vertegenwoordigen.

II.OVERWEGINGEN

1.De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Appellante ontving vanaf 1 november 1991 een bijstandsuitkering als aanvulling op haar gekorte pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij woont vanaf 1 juli 2008 in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2008 geen bijstandsuitkering meer krijgt omdat haar inkomen vanaf die datum ligt boven de voor haar geldende norm. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft het College bij besluit van 1 September 2008 ongegrond verklaard.

2.De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 1 September 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat ingevolge artikel 23 van de WWB de norm voor appellante in totaal € 337,55 bedroeg vanaf het moment dat zij in het verzorgingshuis is gaan wonen en dat haar AOW-pensioen boven die norm ligt. Daarom had appellante geen recht op het in de WWB uitgewerkte recht op bijstand als bedoeld in artikel 20 van de Grondwet (GW). Voor een beoordeling of wel of niet terecht een korting op het AOW-pensioen was toegepast zag de rechtbank geen plaats in de toetsing van de voorliggende zaak. Appellante kon, vanwege het feit dat er sprake is geweest van een verandering in de woonsituatie, geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat de bijstanduitkering zou worden voortgezet.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd. Hij maakt deze dan ook tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe de gemachtigde van appellante niet te kunnen volgen in zijn stelling dat artikel 23 van de WWB ervan uit gaat dat iemand

recht heeft op een volledig AOW-pensioen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante verder gesteld dat is gehandeld in strijd met verschillende verdragsbepalingen. Nog daargelaten of de door de gemachtigde genoemde verdragsbepalingen een ieder verbindend zijn als bedoeld in artikel 94 van de GW, heeft hij niet gemotiveerd waarom uit deze verdragsbepalingen voortvloeit dat het College met voorbijgaan aan de wettelijke bepalingen van de WWB appellante in aanmerking zou moeten brengen voor een bij standsuitkering.

4.2.Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen

uitspraak wordt bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD PC