Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/6717 AWBZ + 11/5157 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage AWBZ. Geen aanknopingspunt dat de vaststelling in strijd komt met de AWBZ, het Bijdragebesluit of de Bijdrageregeling. De regeling voor de heffing van eigen bijdragen is imperatief en limitatief en biedt geen ruimte om de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen op de grond dat de verzekerde een laag AOW-pensioen heeft omdat hij een groot aantal jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. Geen strijd met enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6717 AWBZ + 11/5157 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 december 2010, 10/2067 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

CAK B.V. (hierna: CAK)

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Namens appellante is verschenen mr. Jankie. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Kwant en S.E. van Staalduine - Pronk, beiden werkzaam bij CAK.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1926 geboren in Suriname en heeft daar tot 1979 gewoond. Vanaf 1979 woont appellante in Nederland. Vanwege haar verblijf in Suriname is op haar pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) een korting van 72% toegepast. Appellante is op 18 februari 2008 opgenomen in de zorginstelling [naam zorginstelling]

1.2. Op 17 juli 2009 heeft CAK op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) de eigen bijdrage van appellante voor de periode 26 mei 2008 tot en met 17 november 2008 vastgesteld op € 138,60 per maand. Bij besluiten van 14 oktober 2009 heeft CAK de eigen bijdragen van appellante gewijzigd vastgesteld en wel voor de periodes 18 februari 2008 tot en met 25 mei 2008 en van 26 mei 2008 tot en met 17 augustus 2008 op € 138,60 per maand en voor de periode 18 augustus 2008 tot en met 17 november 2008 op € 555,72 per maand.

1.3. Bij besluit van 10 februari 2010 heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard. CAK heeft het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 14 oktober 2009 - waartegen CAK het bezwaar mede gericht heeft geacht - ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft CAK de eigen bijdrage van appellante met ingang van 18 augustus 2008 gewijzigd vastgesteld op € 388,03 per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 10 februari 2010 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen het besluit van 10 maart 2010. Zij heeft het beroep tegen het besluit van 10 februari 2010 gegrond verklaard en dat besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de eigen bijdrage over de periode 18 augustus 2008 tot en met 17 november 2008, vernietigd. Verder heeft zij het besluit van 14 oktober 2009, dat betrekking heeft op de vaststelling van de eigen bijdrage over de periode 18 augustus 2008 tot en met 17 november 2008, herroepen en zij heeft het beroep tegen het besluit van 10 maart 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, toepassing gevende aan het Bijdragebesluit zorg (Bijdragebesluit) zoals dat ten tijde van belang gold, geoordeeld dat CAK de eigen bijdragen over de periode 18 februari 2008 tot 18 augustus 2008 en vanaf 18 augustus 2008 terecht heeft vastgesteld op € 138,60, respectievelijk € 338,03 per maand. Daarbij heeft zij onder meer overwogen dat het Bijdragebesluit en de daarop gebaseerde Bijdrageregeling zorg AWBZ (Bijdrageregeling) imperatief en limitatief bepalen hoe de eigen bijdrage moet worden vastgesteld en dat deze regelingen geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen of kwijt te schelden. Onder verwijzing naar artikel 24 van het Bijdragebesluit heeft de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat voor zover het beroep van appellante zich richtte tegen de toegepaste korting op haar AOW-pensioen deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt.

3. Appellante heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar standpunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage ten onrechte geen rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheid dat op haar AOW-pensioen een korting van 72% plaatsvindt en dat de eigen bijdrage in strijd is vastgesteld met bepalingen van internationale verdragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de eigen bijdragen van appellante voor de periodes 18 februari 2008 tot en met 17 augustus 2008 en vanaf 18 augustus 2008 zijn vastgesteld overeenkomstig de in het Bijdragebesluit en de Bijdrageregeling neergelegde regels. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunt wordt gevonden voor het oordeel dat deze vaststelling in strijd komt met de AWBZ, het Bijdragebesluit of de Bijdrageregeling. De Raad wijst er op dat de daarin neergelegde regeling voor de heffing van eigen bijdragen imperatief en limitatief bedoeld is en geen ruimte biedt om de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen op de grond dat de verzekerde een laag AOW-pensioen heeft omdat hij een groot aantal jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De regeling voorziet ook niet in een hardheidsclausule die het mogelijk maakt om, in afwijking van het imperatieve en limitatieve systeem, rekening te houden met bijzondere omstandigheden.

4.2. De Raad verwerpt het beroep van appellante op een groot aantal bepalingen van international verdragen. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit beroep niet is onderbouwd en voorts dat veel van de bepalingen, waarop een beroep is gedaan, niet een ieder verbindend zijn als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Voor zover appellante heeft willen aanvoeren dat in het Bijdragebesluit ten onrechte een hardheidsclausule ontbreekt, overweegt de Raad dat dit niet in strijd is met de AWBZ en dat ook voor het overige niet valt in te zien dat dit strijdig is met enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht.

4.3. De Raad merkt overigens nog op dat ter zitting door CAK is meegedeeld dat bij de vaststelling van de eigen bijdragen van appellante voor de jaren 2009 en 2010 een verlegging van de peiljaren naar de zorgjaren zal plaatsvinden. De bezwaren die appellante heeft gemaakt tegen de eigen bijdragen over die jaren worden ruim gelezen en tevens gezien als verzoeken op peiljaarverlegging.

4.4. In hetgeen appellante overigens naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om tot een ander oordeel te komen.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

KR