Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/1592 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. Voldoende toegelicht dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellant, ook wat betreft de daarin voorkomende tilbelasting, niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1592 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 januari 2010, 08/3698 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Bruin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, een rapportage van 26 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel en een rapportage van 26 april 2010 van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband ingezonden.

Namens appellant zijn bij brief van 31 mei 2011 nadere stukken ingezonden. Bij brief van 25 augustus 2011 heeft het Uwv hierop gereageerd met een rapportage van 24 augustus 2011 van bezwaarverzekeringsarts E.H. The-van Leeuwen.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak met nummer 10/1591 ZW, plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Op verzoek van appellant is [naam echtgenote van appellant], echtgenote van appellant, als getuige gehoord. Daarbij is [naam dochter van appellant], dochter van appellant, opgetreden als tolk. Namens het Uwv is verschenen mr. M.J. van Steenwijk.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als voltijds meewerkend voorman. Op 13 juni 2006 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 28 mei 2008 geweigerd appellant met ingang van 10 juni 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum is vastgesteld op minder dan 35%.

2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 november 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard en heeft het Uwv het besluit van 28 mei 2008 gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en berust het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, gelet op de onderliggende arbeidskundige rapportages van 27 mei 2008 en 25 november 2008, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Appellant is vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat om de geduide functies te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep de volgende medische stukken overgelegd: een brief van 10 mei 2011 van psycholoog drs. M. Hoen, een brief van 28 juni 2010 van psychiater M.J.T. Harmelink, een brief van 1 november 2009 en van 15 december 2009 van neuroloog dr. E.M.H. van den Doel en het besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn van 23 mei 2011 tot ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van de Wet Werk en Bijstand, met bijbehorend advies.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Hetgeen de echtgenote van appellant ter zitting naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad wijst er in dit verband op dat met een eventuele verslechtering in de gezondheidstoestand van appellant na 10 juni 2008 in dit geding geen rekening kan worden gehouden. Met betrekking tot de namens appellant in hoger beroep overgelegde stukken heeft het Uwv met de rapportage van 24 augustus 2011 bezwaarverzekeringsarts The-van Leeuwen gemotiveerd waarom de namens appellant in hoger beroep overgelegde stukken geen aanleiding geven om appellant meer dan wel ernstiger beperkt te achten. De Raad onderschrijft die conclusie. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

5.3. Tevens heeft de Raad, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt zijn. Met de arbeidskundige rapportage van 25 november 2008, aangevuld met de rapportage van 26 april 2010, heeft het Uwv voldoende toegelicht dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellant, ook wat betreft de daarin voorkomende tilbelasting, niet overschrijdt.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. van Eijndthoven.