Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
11-3204 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is terecht in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week). De extra schoonmaakwerkzaamheden in verband met de komst van een hulphond samen met de andere opgegeven werkzaamheden resulteren erin dat de huishoudelijke taken feitelijk 6 uur en 30 minuten per week dan wel 6 uur en 45 minuten per week in beslag nemen. Zelfs indien niet wordt uitgegaan van de normtijden voor hulp bij het huishouden, maar van de daadwerkelijke tijdsbesteding, is appellante terecht geïndiceerd voor klasse 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3204 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2011, 10/5398 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vis. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in verband met haar lichamelijke beperkingen. Zij was in de periode tot en met 11 mei 2010 geïndiceerd voor hulp bij het huishouden naar een omvang van klasse 5 (10 tot en met 12,9 uur per week). Wegens het verstrijken van de indicatieperiode op 11 mei 2010 heeft appellante in april 2010 bij het College een aanvraag ingediend om voortzetting van de hulp bij het huishouden.

1.2. Uit het onderzoek van het College naar aanleiding van de aanvraag is de conclusie

getrokken dat appellante moet worden gecompenseerd bij het uitvoeren van lichte en zware huishoudelijke taken en wasverzorging waarbij het College rekening heeft gehouden met de noodzaak van extra tijd voor wasverzorging en voor werkzaamheden in verband met appellantes astmatische klachten. Op grond van de normtijden voor deze taken heeft het College 6 uur per week (klasse 3) hulp bij het huishouden geboden. Volgens de onderzoeksrapportage is verder uit overleg met één van de zorgverleners naar voren gekomen dat het uitvoeren van genoemde taken in de praktijk 6 uur en 30 minuten per week in beslag neemt.

1.3. Bij besluit van 4 juni 2010 heeft het College appellante op grond van de Wmo tot en met 11 juli 2010 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden klasse 4 (7 tot en met 9,9 uur per week) en in de periode van 12 juli 2015 (lees: 2010) tot en met 11 mei 2015 voor hulp bij het huishouden klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week).

1.4. Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2010 ongegrond verklaard. Blijkens het advies dat aan het besluit van 4 oktober 2010 ten grondslag is gelegd hanteert het College voor het vaststellen van indicaties voor hulp bij het huishouden de Wmo-richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden (hierna: Richtlijn). Op grond van de normtijden in de Richtlijn voor een alleenstaande in een eengezinswoning heeft het College de huishoudelijke hulp voor lichte en zware huishoudelijke taken en wasverzorging vastgesteld op 5 uur per week. Daar bovenop heeft het College 30 minuten geïndiceerd voor extra wasverzorging wegens de fysieke klachten van appellante en eveneens 30 minuten voor extra schoonmaakwerkzaamheden in verband met het stofarm houden van de woning na de komst van een hulphond in de woning van appellante. De totale indicatie is aldus vastgesteld op 6 uur per week, klasse 3. Het College stelt zich op het standpunt dat appellante door toepassing van de normtijden en door een individuele beoordeling, waarbij extra tijd is toegekend in verband met haar persoonskenmerken, voldoende is gecompenseerd voor haar beperkingen bij het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden. Het College heeft daarbij voorts nog acht geslagen op de praktijksituatie wat niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de extra schoonmaakwerkzaamheden in verband met de komst van een hulphond samen met de andere opgegeven werkzaamheden erin resulteren dat de huishoudelijke taken feitelijk 6 uur en 30 minuten per week dan wel 6 uur en 45 minuten per week in beslag nemen. Zij heeft geoordeeld dat, zelfs indien niet wordt uitgegaan van de normtijden voor hulp bij het huishouden, maar van de daadwerkelijke tijdsbesteding, appellante in de periode van 12 juli 2010 tot en met 11 juli 2015 terecht is geïndiceerd voor klasse 3.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat bij de opgave van de feitelijke tijdsbesteding van de huishoudelijke hulp sprake is geweest van een misverstand. De betrokken zorgverlener, mevrouw Warner, heeft slechts de tijd die zijzelf wekelijks besteedt aan de hulp bij het huishouden opgegeven. Bij deze opgave is niet de tijd meegenomen die de andere zorgverlener, mevrouw Maas, wekelijks aan de hulp bij het huishouden besteedt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of het College appellante met ingang van 12 juli 2010 terecht in aanmerking heeft gebracht voor hulp bij het huishouden klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week).

4.2. Het onder 3 weergegeven betoog van appellante over de feitelijke tijdsbesteding van de hulp bij het huishouden bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de indicatie voor hulp bij het huishouden, uitgaande van de voor appellante toepasselijke normtijden en haar persoonskenmerken, te laag is vastgesteld. De Raad onderschrijft dan ook de conclusie van de rechtbank dat het College appellante met ingang van 12 juli 2010 terecht in aanmerking heeft gebracht voor hulp bij het huishouden klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week).

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD