Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10-1479 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primair besluit indicatie voor ondersteunende begeleiding klasse 2. Bij besluit op bezwaar indicatie voor persoonlijke verzorging 4. Verbod van reformatio in peius met betrekking tot indicatiestellingen voor zorgfuncties in de bezwaarfase (LJN: BQ5018). Vernietiging bestreden besluit. De Raad bepaalt dat appellant over de periode in geding wordt geïndiceerd voor OB klasse 2. Geen zorg ingekocht om echtgenote te ontlasten. De indicatie is benut en verantwoord met de door zijn echtgenote aan appellant verleende zorg. Indien appellant naar aanleiding van het besluit van 12 december 2008, aanvullend declareert en verantwoordt, kan bij de beoordeling daarvan rekening worden gehouden met de vraag op welke wijze recht moet worden gedaan aan de belangen die het rechtszekerheidsbeginsel beoogt te beschermen. Hetgeen door de gemachtigde van CIZ naar voren is gebracht kan derhalve niet bij zorgindicatie, maar bij de zorgrealisering aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/30
RZA 2012/19

Uitspraak

10/1479 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2010, 09/156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Voor appellant is mr. Tijhuis verschenen. Voor CIZ is verschenen mr. J.E. Heuvelman, werkzaam bij CIZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1937, heeft op 28 december 2007 bij CIZ op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie voor zorg aangevraagd. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft CIZ appellant over de periode van 28 maart 2008 tot en met 31 december 2008 geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding algemeen (OB) klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week). In het aan dit besluit ten grondslag liggende indicatierapport is aangegeven dat appellant in verband met zijn lichamelijke beperkingen zeer afhankelijk is van zijn echtgenote en dat zij de hele zorg voor appellant op zich heeft genomen. Dit heeft er toe geleid dat zij geïsoleerd is geraakt en overbelast dreigt te raken. Andere werkzaamheden in en om het huis en de administratie blijven liggen. Ondersteuning is nodig om haar te ontlasten in de zorg voor haar echtgenoot.

1.2. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2008 heeft CIZ bij besluit van

12 december 2008 het bezwaar deels gegrond verklaard, het besluit van 28 maart 2008 ingetrokken en een nieuwe indicatie gesteld. Met ingang van 28 maart 2008 is appellant voor maximaal vijf jaar geïndiceerd voor persoonlijke verzorging (PV) klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week). Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant beperkingen bij zijn persoonlijke verzorging ondervindt en dat deze situatie langer dan drie maanden duurt, zodat niet langer wordt verwacht dat zijn echtgenote die hulp vrijwillig biedt. CIZ heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er, anders dan in het besluit van 28 maart 2008 is vastgesteld, geen aanleiding is OB te indiceren. De zoon van appellant biedt ondersteuning bij de administratie en er is geen sprake van (dreigende) overbelasting bij de echtgenote van appellant.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 12 december 2008 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij onder meer betoogd dat CIZ heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius, nu hij bij het besluit van 12 december 2008 niet langer is geïndiceerd voor OB. Dit heeft tot gevolg dat appellant door het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2008 in zoverre in een slechtere positie is geraakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het betoog van appellant dat CIZ in strijd heeft gehandeld met het verbod van reformatio in peius verworpen en daarbij het volgende overwogen. CIZ mag het primaire besluit op de grondslag van het bezwaar geheel tegen het licht houden en eventueel daarvoor een nieuw besluit in de plaats stellen. De rechtbank verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 7:11, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is met CIZ van oordeel dat pas kan worden gesproken van reformatio in peius wanneer de totale omvang van het persoonsgebonden budget (pgb) dat kan worden verleend op grond van de indicatie na bezwaar lager uitvalt dan het budget dat op grond van het primaire besluit kan worden verleend. Daarvan is in de situatie van appellant geen sprake. De gemachtigde van CIZ heeft ter zitting bij de rechtbank aangegeven dat de totale omvang van het pgb dat kan worden verleend voor OB € 5.512,-- per jaar bedraagt, terwijl de totale omvang van het pgb voor PV € 12.502,-- per jaar bedraagt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad spitst het geschil zich uitsluitend toe op de vraag of CIZ bij het besluit van 12 december 2008 het verbod van reformatio in peius heeft geschonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft in een uitspraak van 27 april 2011 (LJN: BQ5018) omtrent het verbod van reformatio in peius met betrekking tot indicatiestellingen voor zorgfuncties in de bezwaarfase het volgende overwogen:

“4.3.2. Uitgaande van deze door de wetgever beoogde gescheiden verantwoordelijkheden en bevoegdheden mag bij de indicatiestelling geen acht worden geslagen op andere aspecten dan die welke bedoeld zijn in artikel 2 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Dit betekent dat de hoogte van het persoonsgebonden budget bij de indicatiestelling buiten beschouwing moet blijven. De Raad ziet geen reden om daarover voor de toepassing van het verbod van reformatio in peius in de bezwaarfase anders te denken, enerzijds omdat dit onder omstandigheden zou moeten leiden tot toekenning van extra zorguren op niet zorginhoudelijke gronden, anderzijds omdat dit - zeker bij zorgindicaties voor een langere periode - op het praktische probleem stuit dat niet zeker is hoe de hoogte van de persoonsgebonden budgetten zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen.

4.3.3. De Raad acht de door CIZ aan de beslissing op bezwaar van 18 juni 2008 ten grondslag gelegde wijze van toepassing van het verbod van reformatio in peius, waarin de optelsom van de voor de verschillende zorgfuncties geïndiceerde zorguren in het primaire besluit en in de beslissing op bezwaar wordt vergeleken, evenmin juist. De Raad is van oordeel dat deze werkwijze onvoldoende recht doet aan het aan het verbod van reformatio in peius ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel nu zij tot effect kan hebben dat het zorgkantoor zich achteraf genoodzaakt kan zien om ten titel van persoonsgebonden budget verstrekte bedragen van de verzekerde terug te vorderen. Dit effect kan optreden wanneer de economische waarde van de optelsom van de na heroverweging geïndiceerde zorguren lager is dan die van de optelsom van de geïndiceerde zorguren van het primaire besluit. Dit effect treedt niet op wanneer in bezwaar per zorgfunctie afzonderlijk wordt bezien of de heroverweging in bezwaar tot een verlaging van zorguren leidt. Is dat het geval dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat de verlaging van het aantal zorguren voor een functie niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat een indicatiebesluit een en ondeelbaar is staat hieraan, gezien de doorwerking van dit beginsel, niet in de weg. De Raad is van oordeel dat de rechtszekerheid er wel aan in de weg staat om het aantal zorguren van een zorgfunctie met terugwerkende kracht te verlagen, maar niet om dat te doen met ingang van een datum die op zijn vroegst gelijk is aan de datum van de beslissing op bezwaar.”

4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 december 2008 vernietigen voor zover appellant daarbij niet is geïndiceerd voor OB 2 over de periode van 28 maart 2008 tot 12 december 2008. Voorts ziet de Raad met het oog op een definitieve geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb appellant over de periode van 28 maart 2008 tot 12 december 2008 te indiceren voor OB 2.

4.3. De gemachtigde van CIZ heeft ter zitting aangegeven dat voornoemde uitspraak van de Raad er toe zou kunnen leiden, dat appellant niet alleen niet slechter af is, maar dat hij er ten onrechte beter van wordt. Ten overvloede overweegt de Raad hierover het volgende. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant niet heeft onderkend dat de bij het besluit van 28 maart 2008 gestelde indicatie OB 2 er toe strekte om zijn echtgenote te ontlasten bij de werkzaamheden in en om het huis en bij het voeren van de administratie. Tevens is gebleken dat appellant in de periode van 28 maart 2008 tot

12 december 2008 ook geen zorg heeft ingekocht om zijn echtgenote te ontlasten. De indicatie is benut en verantwoord met de door zijn echtgenote aan appellant verleende zorg. Indien appellant naar aanleiding van het besluit van 12 december 2008, aanvullend declareert en verantwoordt, kan bij de beoordeling daarvan rekening worden gehouden met de vraag op welke wijze recht moet worden gedaan aan de belangen die het rechtszekerheidsbeginsel beoogt te beschermen. Hetgeen door de gemachtigde van CIZ naar voren is gebracht kan derhalve niet bij zorgindicatie, maar bij de zorgrealisering aan de orde komen.

5. De Raad ziet aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 december 2008 voor zover daarbij de indicatiestelling voor OB 2 over de periode van 28 maart 2008 tot 12 december 2008 is ingetrokken;

Bepaalt dat appellant over de periode van 28 maart 2008 tot 12 december 2008 wordt geïndiceerd voor OB 2;

Veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.196,--;

Bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD