Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
11-2609 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is door het College terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de bezwaartermijn. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant vanwege psychische problemen ten tijde van belang niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel te laten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2609 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011, 10/4381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij - aan appellant geadresseerd - besluit van 25 september 2009 heeft het College de ingevolge de Wet werk en bijstand aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 september 2009 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.2. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 augustus 2010 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft het College dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellant ten tijde van het besluit van 25 september 2009 niet een voor het College kenbare gemachtigde had. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 12 maart 2010 (10/525) blijkt immers dat appellant destijds werd bijgestaan door mr. C.C.M. Welten. Voorts had appellant ten tijde van belang psychische problemen, waardoor hij niet tijdig bezwaar kon maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het besluit van 25 september 2009 een voor het College kenbare gemachtigde had. Uit de onder 3 genoemde uitspraak van 12 maart 2010 blijkt dat mr. Welten bij brief van 12 februari 2010 namens appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 8 februari 2010 waarbij de bijstandsaanvraag van appellant van 20 januari 2010 is afgewezen. Hiermee is echter niet aannemelijk gemaakt dat mr. Welten ook reeds ten tijde van het besluit van

25 september 2009 gemachtigde van appellant was en dat dit voor het College kenbaar was. Dit brengt mee dat het besluit van 25 september 2009 op juiste wijze, door toezending aan appellant zelf, is bekendgemaakt.

4.2. De Raad is voorts met de rechtbank, en anders dan appellant, van oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege psychische problemen ten tijde van belang niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel te laten maken. Aan het bij het hoger beroepschrift gevoegde formulier ‘Kernvragen PsyQ, voormeting’ kan reeds geen betekenis worden gehecht, nu dit formulier in het geheel niet is ingevuld. De verwijzing van appellant ter zitting van de Raad naar een stuk van een arts van 30 augustus 2011, waaruit zou blijken dat hij problemen met deadlines heeft, is eveneens onvoldoende.

4.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.C. Nijholt.

KR