Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09/7004 WWB + 11/3826 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Op naam van appellante geregistreerde auto’s. Aannemelijk dat appellante haar medewerking heeft verleend bij het overdragen van deze auto’s aan derden. Aannemelijk dat appellante inkomsten in verband met de overdracht van de auto's heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RWD zijn beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/7004 WWB

11/3826 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 december 2009, 09/462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.J. Bijsterbosch, werkzaam bij de gemeente Hattem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving ingaande 1 december 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarnaast had zij inkomsten uit parttime werkzaamheden.

1.2. Appellante is gehuwd geweest met [C.] van wie zij sedert 28 mei 2004 wettig gescheiden is. Uit bevragingen op naam via het Suwinet bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat appellante regelmatig andere kentekens van auto’s op haar naam had. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche Zwolle e.o. onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 november 2008. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 19 december 2008, voor zover thans van belang, het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2008 ingetrokken op de grond dat zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting omdat zij niet had gemeld dat zij vanaf die datum samenwoont met C. Het gezamenlijke inkomen ligt boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voorts is het recht op bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de maanden februari, juli, augustus, oktober en november 2006, juli tot en met oktober 2007, december 2007 en januari, februari en mei 2008. Aan deze intrekking is ten grondslag gelegd dat appellante in die maanden autokentekens op naam heeft gehad en dit niet heeft opgegeven aan het College, waardoor zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting, terwijl zij achteraf geen informatie heeft kunnen of willen verschaffen over de inkomsten die zij hieruit heeft ontvangen, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld. Ten slotte zijn de gemaakte kosten van bijstand over die tijdvakken, alsmede over de periode van 1 juni 2008 tot en met 30 september 2008 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 10.237,31.

1.3. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het College het tegen het besluit van 19 december 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 17 maart 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2008 in totaal 14 autokentekens bij de RDW op haar naam geregistreerd heeft gehad. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de korte periode dat de auto’s op naam van appellante hebben gestaan, geen sprake is van consumptief gebruik. De rechtbank acht het aannemelijk dat appellante in verband met de overdracht van deze auto’s inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt zodat zij de op haar rustende inlichtingen-verplichting heeft geschonden. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat het College ten onrechte de maanden juli 2006, oktober 2006 en juli 2007 heeft aangemerkt als zijnde maanden waarin aannemelijk is dat appellante in verband met de overdracht van auto’s inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat vanaf 1 juni 2008 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding van appellante en C., waarvan appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding bij het College heeft gemaakt, ten gevolge waarvan aan haar vanaf 1 juni 2008 ten onrechte bijstand is verleend.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat weliswaar in het proces-verbaal van haar verhoor is vastgelegd dat zij verklaard heeft dat C. sinds 1 juni 2008 zijn hoofdverblijf heeft op haar adres, maar dat hetgeen in het proces-verbaal is vermeld niet overeenkomt met wat zij heeft verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij verwezen naar door haar in hoger beroep overgelegde verklaringen van haar moeder, haar zussen en twee vriendinnen. Met betrekking tot de auto’s heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van consumptief gebruik. Voorts heeft appellante gesteld dat de auto’s volgtijdelijk op haar naam hebben gestaan en dat sprake is van oude auto’s van zeer geringe waarde.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 26 januari 2010 een nader besluit op bezwaar genomen, waarbij het College heeft afgezien van terugvordering van bijstand over de maanden juli 2006, oktober 2006 en juli 2007 en het bedrag van de terugvordering van bijstand nader is bepaald op € 7.415,02 bruto. Ter zitting is gebleken dat het College met dit nadere besluit heeft bedoeld ook af te zien van de intrekking van de bijstand over genoemde maanden. De Raad zal het nadere besluit als zodanig opvatten en dit besluit, waarbij niet geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, eerst lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover betrekking hebbend op de intrekking en terugvordering van bijstand, mede in zijn beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling

5.1. Gezamenlijke huishouding

5.1.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2008 tot en met 19 december 2008.

5.1.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op grond van de onderzoeksbevindingen terecht aannemelijk heeft geacht dat appellante en C. vanaf 1 juni 2008 hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. Daartoe kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring die appellante op 20 oktober 2008 heeft afgelegd tegenover twee sociaal rechercheurs. Appellante heeft tijdens haar verhoor verklaard dat C. vanaf 1 juni 2008 dagelijks bij haar is, bij haar op de bank slaapt, met haar gezin eet, haar computer gebruikt en dat zij zijn was doet. Deze verklaring is neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en de verklaring is aan appellante voorgelezen, waarna appellante elke pagina van het proces-verbaal heeft ondertekend. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het proces-verbaal geen juiste weergave bevat van de verklaring zoals zij die heeft afgelegd. De omstandigheid dat appellante, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, tijdens het verhoor onder druk stond omdat zij haar kinderen wilde ophalen en daarom alles blindelings heeft ondertekend, strookt niet met haar handtekening bij de passage in het proces-verbaal dat dit aan haar is voorgelezen, dat zij volhardde in haar verklaring en deze ondertekende. Bovendien volgt uit deze omstandigheid niet dat de afgelegde verklaring onjuist was of dat appellante de verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd.

5.1.3. De verklaring die appellante heeft afgelegd wordt in grote lijnen ondersteund door de verklaring die de getuige [S.] heeft afgelegd tegenover de sociale recherche. Voorts acht de Raad van belang dat C. ten tijde in geding geen ander adres had, dat de werkgever van C. in de loonbelastingverklaring als adres van C. het adres van appellante opgeeft en dat C. tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat appellante en hij in 2007 en 2008 gezamenlijk met vakantie zijn geweest. Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen van haar moeder, zussen en vriendinnen, die

- kort samengevat - verklaren dat zij C. zelden of nooit bij appellante thuis aantroffen, kan de Raad niet de betekenis hechten die appellante daaraan gehecht wil zien. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat die verklaringen niet alleen haaks staan op de door appellante afgelegde verklaring, maar ook - anders dan de verklaring van

appellante - niet zijn afgelegd tegenover opsporingsambtenaren en vervolgens vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal.

5.1.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen opgave heeft gedaan dat zij in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met C. heeft gevoerd. Derhalve was het College onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2008 in te trekken.

5.2. Op naam van appellante geregistreerde auto’s

5.2.1. Appellante bestrijdt niet dat in de periode van februari 2006 tot oktober 2008 regelmatig kentekens van auto’s op haar naam hebben gestaan. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt dit de vooronderstelling dat de betreffende auto’s een bestanddeel vormden van het vermogen van appellante waarover zij daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. Appellante is er niet in geslaagd dit vermoeden te weerleggen. Hoewel C. tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat hij degene is geweest die de auto’s gekocht en verkocht heeft, blijkt dat de betrokkenheid van appellante zich niet heeft beperkt tot de kentekenregistratie op haar naam. Appellante heeft verklaard dat de wegenbelasting door haar werd betaald en dat zij wel eens een paar auto’s heeft verzekerd voor C. Voorts heeft appellante verklaard dat zij tenminste eenmaal mee is geweest om een gekochte auto op te halen. Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat appellante meerdere malen aanwezig is geweest bij de aankoop van een auto.

5.2.2. De kentekens van de - na de aangevallen uitspraak resterende - 13 auto’s stonden doorgaans gedurende betrekkelijk korte tijd op naam van appellante. De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 maart 2010, LJN BL6266, overwogen dat een periode van 2 dagen tot twee maanden een betrekkelijk korte tijd is. In het onderhavige geval stonden de auto’s 1 tot 65 dagen, derhalve nauwelijks meer dan twee maanden, op naam van appellante. De Raad kan appellante voorts niet volgen in haar standpunt dat sprake is van consumptief gebruik vanwege de enkele omstandigheid dat de auto’s volgtijdelijk op haar naam zouden hebben gestaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat gedurende drie kortere of langere perioden twee auto’s tegelijkertijd op naam van appellante stonden.

5.2.3. De Raad acht het met het College aannemelijk dat appellante haar medewerking heeft verleend bij het overdragen van deze auto’s aan derden. De Raad gaat er verder vanuit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellante staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat appellante in de door het College in het besluit van 26 januari 2010 genoemde maanden telkens één of meer auto's heeft overgedragen.

5.2.4. Naar aanleiding van appellantes stelling dat de hoge ouderdom van de auto’s en de daarmee samenhangende geringe waarde van de auto’s erop duidt dat er geen sprake is geweest van handel in auto’s, overweegt de Raad dat het recht op bijstand van een belanghebbende niet alleen afhankelijk is van in aanmerking te nemen vermogen maar ook van inkomsten die feitelijk zijn verworven of redelijkerwijs hadden kunnen worden verworven. Gelet op de beschikbare gegevens acht de Raad het aannemelijk dat appellante inkomsten in verband met de overdracht van de auto's heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RWD zijn beëindigd. Door daarvan geen melding te maken is appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen. De Raad tekent daarbij aan dat het appellante duidelijk moet zijn geweest dat deze feiten van invloed konden zijn op de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Aangezien controleerbare gegevens over bedoelde transacties ontbreken kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de maanden waarin de kentekenregistratie is beëindigd het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand over deze maanden in te trekken.

5.3. De Raad stelt vast dat appellante tegen de wijze van gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking en tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden naar voren heeft gebracht.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 vloeit voort dat zowel de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, als het nadere besluit van 26 januari 2010 in rechte kunnen standhouden.

5.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 januari 2010 ongegrond voor zover betrekking hebbend op de intrekking en de terugvordering van bijstand.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

RB