Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-7103 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering. Appellant heeft niet gemeld dat hij niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/7103 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2010, 10/1608 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 11/1610 WWB, plaatsgevonden op 20 september 2011. Namens appellant is mr. Van Hemert verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. Steenaart, werkzaam bij de gemeente Bodegraven-Reeuwijk. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 30 oktober 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van ingekomen signalen bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Bodegraven dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres aan de [adres 1] in [gemeente], is door het Regionaal Instituut Sociale Recherche onderzoek gedaan naar de feitelijke verblijfplaats van appellant. De bevindingen van dit onderzoek, dat onder meer heeft bestaan uit waarnemingen bij de woning, een huisbezoek, buurtonderzoek, alsmede een opname van het water- en energieverbruik in de woning, zijn weergegeven in een rapport van 16 september 2009. Het College heeft daaruit geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat appellant zijn woonplaats heeft in de gemeente [gemeente].

1.3. Bij besluit van 25 september 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van diezelfde dag beëindigd op de grond dat het recht op bijstand van appellant niet (langer) is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het College het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het College ten onrechte en onvoldoende gefundeerd heeft aangenomen dat hij niet op het door hem opgegeven huisadres woont. Daarnaast is hij van mening dat het College met een zekere vooringenomenheid naar zijn situatie heeft gekeken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de toelichting van de vertegenwoordiger van het College ter zitting begrijpt de Raad het besluit van 19 januari 2010 aldus dat het College aan de beëindiging van de bijstand ten grondslag heeft gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het College te melden dat hij ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het zogenoemde uitkeringsadres en dat als gevolg van die schending niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inhoud van de rapportage van 16 september 2009 voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan het extreem lage waterverbruik, hetgeen volgens de verrichte opname van de meterstand neerkomt op een waterverbruik van slechts 3 liter per dag. Ook het verbruik van gas en elektriciteit was ten tijde in geding zeer laag. Reeds hierom acht de Raad het niet aannemelijk dat appellant woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Dit vindt mede steun in de overige onderzoeksbevindingen. Zo is tijdens een huisbezoek op 2 juli 2009 alleen een opblaasmatras aangetroffen alsmede wat kleding en verdroogd voedsel. Verder was de woning niet ingericht en ontbrak huishoudelijke apparatuur. Ook hebben waarnemingen plaatsgevonden bij de woning van appellant, waarbij hij nimmer in of bij de woning is gesignaleerd. Daarnaast hebben benaderde personen in het kader van een buurtonderzoek verklaard dat men appellant nog nooit of slechts een enkele keer had gezien. Deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen niet worden verklaard door een, naar appellant stelt, afwijkend levensritme als gevolg van zijn werk in de horeca, reeds omdat uit de stukken naar voren komt dat appellant dat werk gemiddeld slechts zes uur per week verricht.

4.3. De stelling van appellant dat sprake is van een zekere vooringenomenheid bij het College, nog daargelaten dat dit niet verder is onderbouwd, deelt de Raad, mede gelet op de onder 4.2 aangehaalde onderzoeksactiviteiten, niet.

4.4. Appellant heeft bij het College niet gemeld dat hij niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Daarmee heeft hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Nu onduidelijk is gebleven waar appellant wel heeft gewoond, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het College was daarom bevoegd om de bijstand van appellant te beëindigen.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD