Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
11-1610 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant was ten tijde hier van belang niet woonachtig op het zogenoemde uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1610 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/5656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/7103 WWB, plaatsgevonden op 20 september 2011. Namens appellant is mr. Van Hemert verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. Steenaart, werkzaam bij de gemeente Bodegraven-Reeuwijk. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 30 oktober 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 25 september 2009 heeft het College de bijstand van appellant per die datum beëindigd omdat hij niet bij het College had gemeld dat hij niet woonachtig was op [adres 1] te [gemeente], met als gevolg dat niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2009 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 november 2010, reg.nr. 10/1608, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, reg.nr. 10/7103 WWB, heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3. Op 16 december 2009 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

1.4. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat appellant zijn woonplaats heeft in de gemeente [gemeente].

1.5. Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die aannemelijk maken dat appellant nu wel zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in de gemeente [gemeente].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 juni 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte en onvoldoende gefundeerd heeft geoordeeld dat het College erin is geslaagd te bewijzen dat appellant een onjuiste opgave van zijn woonadres zou hebben gedaan en daarmee zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 maart 2010, LJN BM0861) ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. De Raad is van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Appellant heeft niet aangetoond dat in de voor de beoordeling van dit geding relevante periode, die aanvangt op de datum van de eerste in aanmerking te nemen aanvraag, 16 december 2009, tot en met de datum van het primaire besluit van 15 februari 2010, sprake was van een wijziging in de omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin ten opzichte van de situatie ten tijde van de beëindiging van de bijstand van appellant. De Raad overweegt hiertoe het volgende.

4.3. Tijdens de bezwaarfase heeft appellant bij brief van 4 mei 2010 een lijst van personen naar het College gestuurd die verklaren dat appellant woont op het door hem opgegeven adres. Gelet echter op de opmaak van voornoemde verklaring, met als enige, voorgedrukte zin “Hierbij verklaar ik, dat de heer [L.], woonachtig is op de [adres 1] te [gemeente]”, die aansluitend alleen is voorzien van een elftal namen en telefoonnummers, kan hieraan - alleen al vanwege het ontbreken van een datum en adresgegevens - niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien. De Raad zal hieraan dan ook voorbij gaan.

4.4. Evenals bij de beëindiging van de bijstand het geval is geweest, heeft het College in het kader van de nieuwe aanvraag van appellant wederom het Regionaal Instituut Sociale Recherche verzocht onderzoek te doen naar de plaats waar appellant aangaf zijn hoofdverblijf te hebben. De bevindingen van dit onderzoek, dat onder meer heeft bestaan uit een huisbezoek op 19 januari 2010, een buurtonderzoek alsmede een opname van het water- en energieverbruik in de woning, zijn weergegeven in een rapport van 9 februari 2010. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inhoud van deze rapportage voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het zogenoemde uitkeringsadres. De Raad hecht daarbij met name betekenis aan het feit dat slechts kleine wijzigingen in de woning werden geconstateerd ten opzichte van het voorgaande huisbezoek op 2 juli 2009. Zo stonden er tijdens het huisbezoek op 19 januari 2010 wel enkele kleine meubelstukken, maar ontbraken nog steeds een koelkast en een kookgelegenheid en werden wederom nauwelijks etenswaren in de woning aangetroffen.

Daarnaast was weliswaar sprake van een kleine toename in het water- en gasverbruik ten opzichte van de vorige opname, echter nog altijd ver beneden het gemiddelde verbruik van een éénpersoonshuishouden. Voorts werd op 21 en 25 januari 2010 en 4 februari 2010 gesproken met een drietal getuigen, die allen verklaarden dat appellant niet wordt gezien in of bij de woning. Wel is nog gezien dat een andere man, die in het bezit was van een sleutel, de woning bezocht. Gelet op deze bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat de nieuwe aanvraag van appellant terecht is afgewezen nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt ten tijde in geding woonachtig te zijn op het door hem opgegeven adres.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD