Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09/3811 WWB + 09/3812 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Lening van € 6.000,-- van een familielid. Appellanten hadden ten tijde van de aanvraag de beschikking over geldelijke middelen uit een lening, zodat zij de kosten van woninginrichting door middel van gespreide betaling achteraf uit haar inkomen kon bestrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3811 WWB + 09/3812 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellanten], wonende te Eindhoven (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2009, 08/3371 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met registratienummer 09/3841, plaatsgevonden op 14 september 2011. Voor appellanten is mr. Van Asten verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellanten zijn vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina. Met ingang van 15 juni 2007 beschikken zij over een verblijfsstatus. Begin februari 2008 is aan hen in verband daarmee een woning aangeboden, die zij per 12 maart 2008 konden betrekken.

1.3. Op 18 maart 2008 hebben appellanten in verband met hun verhuizing bij het College een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting.

1.4. Tijdens een huisbezoek bij appellanten op het nieuwe adres op 9 april 2008, afgelegd door een tweetal casemanagers van Werkteam Zuid van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen, is gebleken dat appellanten de door hen gewenste goederen reeds grotendeels hadden aangeschaft. Appellanten hebben aangegeven hiervoor een lening van € 6.000,-- te hebben gekregen van een familielid.

1.5. Bij besluit van 23 april 2008 heeft het College de aanvraag van appellanten om toekenning van bijzondere bijstand voor woninginrichting afgewezen, maar wel € 250,-- toegekend voor opknapkosten.

1.6. Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het College het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat appellanten ten tijde van de aanvraag over een lening beschikten van een familielid. Het College heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de toegekende bijzondere bijstand voor opknapkosten ten bedrage van € 250,-- ook had moeten worden afgewezen, omdat appellanten deze kosten reeds hadden gemaakt voordat het College de noodzakelijkheid hiervan heeft kunnen onderzoeken. In verband met het verbod van reformatio in peius is het College hieraan voorbijgegaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten primair betoogd dat zij zich feitelijk al op 13 maart 2008 hadden gemeld met een verzoek om bijzondere bijstand en dat zij op dat moment nog beschikten over de lening en nog niet was voorzien in de kosten. Omdat appellanten vanuit een opvangwoning de aangeboden woonruimte vrijwel meteen dienden te betrekken, ontbrak het hun aan de benodigde middelen om de woning in te richten. Appellanten hebben niet kunnen reserveren, aangezien zij slechts “zakgeld” ontvingen in het kader van de Regeling Opvang Asielzoekers.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2. Naar vaste rechtspraak behoren kosten van inrichting van een woning tot de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die door middel van reservering vooraf dan wel gespreide betaling achteraf uit het (bijstands)inkomen dienen te worden voldaan.

4.3. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellanten zich op 13 maart 2008 hebben gemeld bij de Dienst Werk, Zorg en Inkomen met het verzoek formulieren toe te sturen waarmee bijzondere bijstand kan worden aangevraagd. Op 15 maart 2008 hebben appellanten het formulier ingevuld en opgestuurd en op 18 maart 2008 heeft genoemde Dienst het ontvangen. Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat eerst met de ontvangst van het aanvraagformulier op 18 maart 2008 de aanvraag feitelijk is gedaan, omdat eerst uit dat formulier is af te leiden waarvoor precies bijzondere bijstand wordt gevraagd en wat de persoonlijke gegevens van de aanvrager zijn. Voorts stelt de Raad vast dat appellanten vanaf 14 maart 2008 konden beschikken over een lening van € 6.000,-- van een familielid, waarmee zij (kort) na de aanvraag hun inrichting (grotendeels) hebben aangeschaft. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellanten ten tijde van de aanvraag de beschikking hadden over geldelijke middelen uit een lening, zodat zij de kosten van woninginrichting door middel van gespreide betaling achteraf uit hun inkomen konden bestrijden.

4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M. Hillen en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD