Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
11-2824 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2824 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 april 2011, 10/5054 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.B. Teunis, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 27 september 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 18 juni 2009 op de grond dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het door hem opgegeven adres waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van 4 maart 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2009 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 maart 2010 ongegrond verklaard bij uitspraak van

1 december 2010. De Raad heeft deze uitspraak van de rechtbank bevestigd in zijn tussen partijen gegeven uitspraak van heden, met procedurenummer 11/172 WWB.

1.2. Bij besluit van 23 december 2009 heeft het College een door appellant op 16 november 2009 ingediende aanvraag om hem met ingang van 18 juni 2009 bijstand te verlenen afgewezen. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard op de grond dat - ook uit nader onderzoek naar de woonsituatie van appellant - niet is gebleken dat hij ten tijde hier van belang woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft met de aanvraag van 16 november 2009 beoogd dat het College terugkomt van zijn besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 18 juni 2009. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, mag van degene die in een geval als dit een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn niet door appellant aangevoerd.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij door een plausibele verklaring te geven voor zijn frequente afwezigheid op het door hem opgegeven adres - te weten: familiebezoek en een behandeltraject in verband met psychische klachten - aannemelijk heeft gemaakt dat hij met ingang van 18 juni 2009 wel op dit adres woonde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat de beoordelingsperiode naar aanleiding van de aanvraag van 16 november 2009 loopt van 18 juni 2009 tot en met 23 december 2009.

4.2. De Raad stelt - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010,

LJN BM0861 - voorop dat in het onderhavige geval aanleiding bestaat om onderscheid te maken in een drietal periodes met een verschillend toetsingskader.

4.3. De eerste beoordelingsperiode is de periode van 18 juni 2009 tot en met 17 augustus 2009. Voor die periode dient de aanvraag te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het, onder 1.1 vermelde en rechtens onaantastbaar geworden, besluit van

17 augustus 2009 tot intrekking van de bijstand met ingang van 18 juni 2009. Appellant heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het College aanleiding had moeten zien om van zijn eerdere besluit van

17 augustus 2009 terug te komen.

4.4. De tweede periode betreft de periode van 18 augustus 2009 tot en met 15 november 2009. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Nu deze periode ligt voor de datum van de aanvraag op 16 november 2009 wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.5. De derde periode betreft de periode van 16 november 2009 tot en met 23 december 2009. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De stelling van appellant dat hij weliswaar frequent aanwezig was op het door hem opgegeven adres in [plaatsnaam], maar daar wel woonde, kan de Raad niet onderschrijven. Blijkens de gedingstukken is appellant niet eenmaal aangetroffen bij de in de periode van

30 november 2009 tot en met 17 december 2009 aan het door hem opgegeven adres afgelegde bezoeken. Hiernaast heeft appellant bij een gesprek op 21 december 2009 verklaard dat hij vanaf de datum van de onderhavige aanvraag niet in [plaatsnaam] heeft verbleven en op 17 december 2009 - vanuit de woning van zijn broer in ’s-Gravenhage - naar [plaatsnaam] is verhuisd. Voorts blijkt uit door appellant bij de aanvraag overgelegde bankafschriften uitsluitend van afschrijving van vaste lasten. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 16 november 2009 tot en met 23 december 2009 op het opgegeven adres zijn woonadres had.

4.6. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.C. Nijholt.

HD