Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09-4345 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. De Raad is van oordeel dat, gelet op het advies van GGD Hollands Midden van 8 februari 2008 waaruit blijkt dat appellante om medische redenen diende te verhuizen, de Wmo is aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellante toereikend en passend te zijn. Overigens is de Raad met het College en de rechtbank van oordeel dat het College van burgemeester en wethouders bevoegd is op een zodanige aanvraag om een vergoeding in het kader van de Wmo te beslissen, omdat de gemeente waaruit appellante is vertrokken kan beoordelen of sprake is van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het normale gebruik van de woning belemmeren. Geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4345 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2009, 08/4357 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. In verband met haar verhuizing van [gemeente 1] naar [gemeente 2] heeft appellante op 18 maart 2008 bij het College een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten tot een bedrag van in totaal € 1.045,--.

1.3. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante voor de vergoeding van deze kosten een beroep kan doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.4. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2008 ongegrond verklaard. Hierbij is onder meer aangegeven dat appellante, mede gelet op het advies van GGD Hollands Midden van 8 februari 2008, in aanmerking zou moeten kunnen komen voor een vergoeding op grond van de Wmo door de gemeente [gemeente 1].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de bijzondere bijstand in de inrichtingskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het College, mede gelet op de inhoud van het besluit van 9 mei 2008, bij besluit van 23 september 2008 ook heeft beslist ten aanzien van de inrichtingskosten.

4.2. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.4. Op grond van de gedingstukken staat vast dat appellante om medische redenen is verhuisd van [gemeente 1] naar [gemeente 2], en dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 1] naar aanleiding van de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor transportkosten bij besluit van 16 april 2008

€ 200,-- aan bijzondere bijstand met betrekking tot die kosten heeft toegekend. Voorts staat vast dat het College bij - door appellante niet bestreden - besluit van 24 juli 2008 de aanvraag van appellante om een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wmo heeft afgewezen, op de grond dat niet het College, maar het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 1] bevoegd is op een dergelijke aanvraag te beslissen. Daarbij is appellante geadviseerd een aanvraag in te dienen bij het juiste gemeentebestuur.

4.5. Met het College en de rechtbank, en anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat, gelet op het advies van GGD Hollands Midden van 8 februari 2008 waaruit blijkt dat appellante om medische redenen diende te verhuizen, de Wmo is aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellante toereikend en passend te zijn. Overigens is de Raad met het College en de rechtbank van oordeel dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 1] bevoegd is op een zodanige aanvraag om een vergoeding in het kader van de Wmo te beslissen, omdat de gemeente waaruit appellante is vertrokken kan beoordelen of sprake is van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het normale gebruik van de woning belemmeren. Dat appellante tot op heden nog geen beroep op deze voorziening heeft gedaan bij het daartoe bevoegde college doet aan het vorenstaande niet af. Derhalve stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg.

4.6. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid, om in afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, niettemin bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Naar het oordeel van de Raad is van een dergelijke situatie in het geval van appellante niet gebleken.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

HD