Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10/6364 WWB + 10/6365 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag algemene bijstand en bijzondere bijstand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de hier van belang zijnde perioden woonde op het adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6364 WWB

10/6365 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2010, 10/4673 en 10/4396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 september 2011. Partijen zijn - appellant met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 22 juni 2010 heeft appellant zich gemeld om een aanvraag om algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in te dienen. Hierbij heeft appellant aangegeven alleenstaand te zijn en te wonen op het adres [adres 1] te [gemeente]. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woonadres, woonsituatie en middelen. Op 30 juni 2010 hebben twee handhavingsspecialisten op het door appellant opgegeven adres een huisbezoek afgelegd. Op basis van de bevindingen van het huisbezoek heeft het College geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres.

1.2. Op 4 juli 2010 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor woonkostentoeslag.

1.3. Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het College de aanvraag van appellant om algemene bijstand afgewezen en bij besluit van 29 juli 2010 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand eveneens afgewezen.

1.4. Bij besluiten van 6 september 2010 en 23 september 2010 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 5 juli 2010 en 29 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 6 september 2010 en 23 september 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het door hem opgegeven adres woont. De sfeer tijdens het huisbezoek is van invloed geweest op wat is opgetekend over de feitelijke situatie. Appellant voelde zich geïntimideerd. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geen waarde gehecht aan de door appellant overgelegde bewijsstukken. Ten slotte gaat de rechtbank ten onrechte voorbij aan het betoog van appellant dat de besluitvorming onjuist en onzorgvuldig is als gevolg van discrepanties tussen de “Rapportage bevindingen huisbezoek” van 30 juni 2010 en het “Rapport van bevindingen Aanvraag” van 1 juli 2010.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat ten aanzien van de aanvraag om algemene bijstand de te beoordelen periode loopt van 22 juni 2010 tot en met 5 juli 2010 en ten aanzien van de aanvraag om bijzondere bijstand van 4 juli 2010 tot en met 29 juli 2010. Het gaat in dit geding om afwijzende beslissingen op aanvragen om algemene en bijzondere bijstand. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2011, LJN BR3093, moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de hier van belang zijnde perioden woonde op het adres [adres 1]. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat ten tijde van het huisbezoek de woning bijna leeg was, er geen vloerbedekking lag, de muren kaal waren, er geen gordijnen hingen en er geen kasten, fornuis en koelkast stonden. Er lagen twee luchtbedden in de woonkamer, er stond een koffer met kleding en er was een televisie. Een slaapkamer was leeg, in een tweede slaapkamer stond administratie van het bedrijf van appellant. Naar het oordeel van de Raad kan op grond hiervan niet worden aangenomen dat appellant woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

4.3. Met de door appellant overgelegde bonnen van aankopen, de afsprakenkaart van het ziekenhuis, de kopie van het visitekaartje van een uitzendbureau, bonnen van tankbeurten en parkeren en de foto’s heeft hij naar het oordeel van de Raad evenmin aannemelijk gemaakt dat hij woonachtig was op het opgegeven adres. Dat aankopen zijn gedaan of is getankt of geparkeerd in de buurt van het [adres 1] en dat een ziekenhuis of uitzendbureau in die buurt is bezocht, maakt niet afdoende aannemelijk dat appellant daadwerkelijk woonde aan het [adres 1]. De foto’s zijn naar het oordeel van de Raad niet overtuigend en zijn bovendien niet verifieerbaar te herleiden tot de woning aan het [adres 1] in de perioden in geding.

4.4. Anders dan appellant ziet de Raad voorts niet in welke discrepanties er bestaan tussen de handgeschreven “Rapportage bevindingen huisbezoek” van 30 juni 2010 en het “Rapport van bevindingen Aanvraag” van 1 juli 2010. Voor zover appellant het oog heeft op het feit dat in de rapportage van 30 juni 2010 niets is vermeld over de badkamer en in het rapport van 1 juli 2010 wel, namelijk dat daar geen bijzonderheden zijn aangetroffen, ziet de Raad dit niet als een discrepantie, die tot onzorgvuldige dan wel onjuiste besluitvorming heeft geleid. Het College heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep erkend dat een exacte beschrijving van de badkamer wenselijk zou zijn geweest. De Raad onderschrijft dat, maar is met het College van oordeel dat dit niet afdoet aan de overige bevindingen van het huisbezoek, zoals onder 4.2 van deze uitspraak vermeld. Aan deze onvolkomenheid bij de uitvoering van het huisbezoek komt dan ook niet de zwaarwegende betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien.

4.5. Na het huisbezoek van 30 juni 2010 heeft appellant een bejegeningsklacht ingediend bij het College, die gegrond is verklaard. Het betoog van appellant dat de sfeer ten tijde van het huisbezoek ertoe heeft geleid dat niet alles correct is weergegeven in de rapportages, omdat appellant geen gelegenheid kreeg actiever mee te werken aan het huisbezoek, treft evenwel, tegen de achtergrond van hetgeen de Raad aan het slot van onderdeel 4.1 van deze uitspraak heeft overwogen en gelet op de niet betwiste bevindingen van het huisbezoek als beschreven in 4.2, geen doel.

4.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

KR