Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09/3186 WWB + 09/3187 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. Fraudeonderzoek. Mede-eigenaar van woonwinkelpand. Huurinkomsten. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3186 WWB

09/3187 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2009, 08/2640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.A. Busquet, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ir. F.H. van Heerwaarden, werkzaam bij de gemeente Vlaardingen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben van 1 april 1990 tot 30 april 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Zij hebben destijds, en ook nadien op inlichtingen- en herbeoordelingsformulieren, opgegeven een woning te huren op het adres [adres 1] te [gemeente 1] (hierna: woonadres).

1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding in maart 2007, inhoudende dat appellant vermogen heeft in de vorm van onroerend goed, heeft de afdeling Sociale Zaken en Economische Zaken van de gemeente Vlaardingen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft appellant, desverzocht, informatie verstrekt en heeft op 30 mei 2007 een huisbezoek op het woonadres plaatsgevonden. Uit dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in rapportages van 12 juni 2007 en 16 november 2007, is onder meer het volgende naar voren gekomen. Appellant heeft in 1978 samen met de heer [Ç.] een winkel met bovenwoning aan de [adres 2], hoek [adres 3], te [gemeente 1] (hierna: woonwinkelpand) gekocht voor fl. 165.000,--. In verband daarmee hebben appellant en [Ç.] op dat pand hypotheek verleend voor een lening van fl. 129.000,--. De bovenwoning van het woonwinkelpand op het woonadres heeft tien kamers, waarvan er tijdens het huisbezoek acht afgesloten waren, terwijl geen sleutels voorhanden waren. Ten tijde van het huisbezoek op 30 mei 2007 woonden appellanten al geruime tijd niet meer op het woonadres en huurde hun zoon een kamer op dat adres.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij twee afzonderlijke besluiten van 13 december 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2008, de aan appellanten verleende bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2007 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van (bijzondere) bijstand en de verstrekte langdurigheidstoeslag van appellanten terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het College, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat appellant voor de onverdeelde helft eigenaar is van het woonwinkelpand en door geen inzicht te geven in de inkomsten uit de verhuur van de bovenwoning van dat pand, in de exploitatie van die bovenwoning als pension en in de inkomsten uit de verhuur van de bedrijfsruimte in het woonwinkelpand. Als gevolg van deze schending is het recht op bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag niet vast te stellen en hebben appellanten geen recht op langdurigheidstoeslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

- Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting niet geschonden, aangezien zij concrete en verifieerbare gegevens hebben overgelegd op basis waarvan het vermogen kan worden vastgesteld.

- Appellanten hebben daadwerkelijk een maandelijkse vergoeding betaald aan de mede-eigenaar van het woonwinkelpand voor het woongenot van de bovenwoning van dat pand. In het winkelgedeelte exploiteerde de mede-eigenaar een koffiehuis. Appellanten hebben daaruit geen inkomsten verworven, noch gegevens over die exploitatie verkregen.

- Niet duidelijk is of er sprake was en is van een vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens, aangezien tussen appellant en de erfgenamen van [Ç.] een gerechtelijke procedure loopt over de verdeling van het gemeenschappelijk eigendom en de erfgenamen in die procedure hebben gesteld een vordering van € 45.000,-- op appellant te hebben.

- De zoon van appellanten is de bovenverdieping van het woonwinkelpand pas gaan huren vanaf 2005, zodat het College de bijstand van appellanten in redelijkheid niet kon terugvorderen over de periode gelegen vóór 2005.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellant in de in geding zijnde periode voor de onverdeelde helft eigenaar was van het woonwinkelpand en dat appellanten daarvan nimmer melding hebben gemaakt aan het College. Voorts staat vast dat appellanten geen inzicht hebben gegeven in de inkomsten uit de verhuur van de bovenwoning van het woonwinkelpand aan hun zoon. Evenmin hebben appellanten inzicht gegeven in de mogelijke exploitatie van die bovenwoning als pension, terwijl de beschikbare gegevens daarvoor wel aanknopingspunten bieden. Zo is appellant bij een aan hem gericht besluit van 11 november 2003 bestuursdwang aangezegd ter zake van, kort gezegd, het zonder vergunning - bedrijfsmatig - op het woonadres exploiteren van een nachtverblijfinrichting/logiesgebouw en was tijdens het huisbezoek op 30 mei 2007 het merendeel van de - tien - kamers van de bovenwoning op dat adres afgesloten. Voorts staat vast dat appellanten geen inzicht hebben gegeven in de (verhuur)inkomsten die zijn te relateren aan de exploitatie van het winkelgedeelte van het woonwinkelpand.

4.2. De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat appellant mede-eigenaar was van het woonwinkelpand onmiskenbaar van belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand. Immers, niet in geschil is dat dit een vermogensbestanddeel is waarover appellanten beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken. Naar het oordeel van de Raad had het appellanten voorts redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat voor die beoordeling zowel gegevens over de waarde van het woonwinkelpand - en in samenhang daarmee: gegevens over het verloop van de hypotheekschuld -, als de onder 4.1 genoemde gegevens over, kort gezegd, de exploitatie van dat pand van belang zijn. Nu appellanten deze gegevens niet hebben verstrekt, is de Raad, met de rechtbank en het College, van oordeel dat appellanten in de in geding zijnde periode de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden. De enkele omstandigheid dat appellanten in 2007 alsnog, desverzocht, de op het woonwinkelpand betrekking hebbende koopakte, hypotheekakte en kadastrale gegevens hebben overgelegd, doet daar niet aan af.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4. Anders dan appellanten veronderstellen, zijn de door hen op verzoek van het College overgelegde koopakte, hypotheekakte en kadastrale gegevens, noch de door hen in bezwaar ingebrachte gegevens over de onder 3 genoemde gerechtelijke procedure voldoende om vast te kunnen dat appellanten in de in geding zijnde periode recht hadden op (aanvullende) bijstand. Zo is het reeds bij gebreke van gegevens over het verloop van de hypotheekschuld niet mogelijk vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre, in die periode het vermogen van appellanten de toepasselijke vermogensgrens overschreed. Daarnaast hebben appellanten niet alsnog concrete en verifieerbare gegevens overgelegd omtrent de exploitatie van de bovenwoning als pension. Gegevens over inkomsten uit de verhuur van de bovenwoning aan hun zoon en over (huur)inkomsten die zijn te relateren aan de exploitatie van het winkelgedeelte hebben appellanten evenmin - alsnog - ingebracht. Appellanten kunnen in dit verband niet volstaan met de enkele, niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwde stelling dat zij in ieder geval tot 2005 huur betaalden aan de mede-eigenaar voor het bewonen van de bovenverdieping van het woonwinkelpand en dat zij geen inkomsten hebben verworven met de exploitatie van het winkelgedeelte van dat pand.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag die in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2007 aan appellanten is verleend in te trekken. Appellanten hebben de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de gehele in geding zijnde periode. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College - in afwijking van zijn Beleidsregels terugvordering WWB - had moeten afzien van terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2004.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C. Nijholt.

HD