Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09/5540 WWB + 09/6492 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen opgelegd onderscheidenlijk van 20% over de maand juni 2008 en 50% over de maand juli 2008 van de geldende bijstandsnorm. Afspraken niet nagekomen. Maatregelen in overeenstemming zijn met de Afstemmingsverordening. Eerst nadat appellante voor de derde keer haar afspraken niet was nagekomen, is het College overgegaan tot het opleggen van de eerste maatregel. Intensieve begeleiding. Niet kan worden gezegd dat bij appellante elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5540 WWB

09/6492 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 24 augustus 2009, 08/6116, en 16 oktober 2009, 09/370 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, de hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.G.W.M.H. Vermeulen en M.D.C. Schouwenaars, beiden werkzaam bij de gemeente Moerdijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 20 oktober 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op appellante zijn de arbeidsverplichtingen als genoemd in artikel 9 van de WWB van toepassing.

1.2. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het College aan appellante een maatregel opgelegd van 50% van de voor haar geldende bijstandsnorm over de maand mei 2008 op de grond dat appellante de afspraak niet is nagekomen om zich bij zeven uitzendbureaus in te laten schrijven en daarmee inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid heeft belemmerd.

1.3. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het College aan appellante een maatregel opgelegd van 100% van de voor haar geldende bijstandsnorm over de maand juni 2008 op de grond dat appellante niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van een door het College aanboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling alsmede vanwege recidive.

1.4. Bij besluiten van 11 november 2008 en 9 december 2008 heeft het College de tegen de besluiten van 21 mei 2008 en 4 juli 2008 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de maatregelen nader vastgesteld op onderscheidenlijk 20% over de maand juni 2008 en 50% over de maand juli 2008. De maatregel van 20% is opgelegd op de grond dat appellante niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De maatregel van 50% is opgelegd op de grond dat sprake is van twee maatregelwaardige gedragingen, te weten ongeoorloofd verzuim van een werkgelegenheidsproject en het zonder tegenbericht niet verschijnen op een gesprek in het kader van re-integratie, waarbij door het College is uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 11 november 2008 en 9 december 2008 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd voor zover daarin niet is beslist op de verzoeken om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedures, het College veroordeeld in de kosten van de bezwaarprocedures, bepaald dat de uitspraken in de plaats treden van de vernietigde gedeelten van de besluiten en het College opgedragen aan appellante de door haar betaalde griffierechten te vergoeden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd voor zover de besluiten van 11 november 2008 en 9 december 2008 in stand zijn gelaten. Kort gezegd komen de hoger beroepsgronden erop neer dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld door enerzijds appellante niet in de gelegenheid te stellen op de uitkomsten van het in opdracht van de gemeente uitgevoerde psychologisch onderzoek van 7 november 2008 te reageren en anderzijds bij de beslissingen op bezwaar met deze uitkomsten geen rekening te houden. De uitkomsten van het psychologisch onderzoek maken volgens appellante duidelijk dat de gedragingen van haar niet maatregelwaardig zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat niet in geschil is dat appellante de met haar gemaakte afspraken niet is nagekomen en dat de opgelegde maatregelen in overeenstemming zijn met de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Moerdijk.

4.2.1. Blijkens het psychologisch onderzoek, uitgevoerd door drs. S. Praet, psycholoog, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapportage Psycho Diagnostisch Onderzoek (PDO) van 7 november 2008, is appellante gezien haar profiel in staat afspraken die met haar worden gemaakt na te komen. Daarbij moet volgens de psycholoog wel rekening worden gehouden met het feit dat haar psychische beperkingen en problemen haar kunnen frustreren dit naar behoren te doen. Gelet op haar geneigdheid passief te reageren is het van belang haar bij wijze van spreken bij de hand mee te nemen. Appellante zal anders geneigd zijn zich onverschillig op te stellen. Appellante heeft moeite met begrijpend lezen en is dus vooral gediend met verbale informatie-uitwisseling.

4.2.2. Uit de gedingstukken komt naar voren dat het College appellante steeds intensief heeft begeleid. Appellante werd (opnieuw) tewerkgesteld in het zogeheten Werkgelegenheidsproject van de gemeente. In verband daarmee werd voor appellante kinderopvang geregeld, werden de werktijden naderhand op basis van een advies van Achmea Vitale aangepast en werd zij voor het werk opgehaald en weer thuisgebracht door medewerkers van het Werkgelegenheidsproject. Ook is appellante aangemeld bij re-integratiebedrijf Fourstar. Er heeft een tweetal zogeheten “drie-gesprekken” plaatsgevonden met appellante, haar casemanager en een medewerker van Fourstar en er zijn twee huisbezoeken bij haar afgelegd teneinde appellante toe te leiden naar de reguliere arbeidsmarkt. Er zijn toen afspraken gemaakt over onder meer het inschrijven bij en bezoeken van uitzendbureaus. Aan appellante zijn de adressen van een zevental uitzendbureaus overhandigd. In dat verband heeft re-integratiebedrijf Fourstar gezorgd voor een curriculum vitae, dat appellante bij de uitzendbureaus en andere potentiële werkgevers kon inleveren. De mondeling gemaakte afspraken werden steeds op papier vastgelegd en aan haar uitgereikt. Eerst nadat appellante voor de derde keer haar afspraken niet was nagekomen, is het College overgegaan tot het opleggen van de eerste maatregel. Ook nadien is het College doorgegaan met haar intensief te begeleiden, maar is appellante de met haar gemaakte afspraken niet nagekomen. Een en ander heeft geleid tot het opleggen van de tweede maatregel.

4.2.3. De Raad is van oordeel dat ondanks dat de hiervoor genoemde rapportage PDO ten tijde van het opleggen van de maatregelen nog niet bekend was, het College met de hiervoor omschreven begeleiding van appellante in feite heeft voldaan aan de “voorwaarden” die de psycholoog verbindt aan haar conclusie dat appellante in staat moet worden geacht afspraken na te komen, kortweg “het bij de hand meenemen van appellante” en “het verbaal uitwisselen van informatie”. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat bij appellante elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en dat het College dan ook gehouden was met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellante te verlagen. De grief van appellante dat het College bij de beslissingen (op bezwaar) geen rekening heeft gehouden met de rapportage PDO treft dan ook geen doel.

4.3. Appellante heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de rapportage PDO alvorens tot besluitvorming over te gaan. De Raad ziet evenwel geen grond om hieraan de consequenties te verbinden die appellante daaraan verbonden wenst te zien. Appellante heeft in het verdere verloop van de procedures immers ruimschoots de gelegenheid gehad om op de rapportage PDO te reageren en heeft dat ook gedaan. Daarbij komt dat het College hangende de beroepsprocedure aan appellante toestemming heeft gevraagd de resultaten van de rapportage PDO in het verweerschrift te verwerken. Namens appellante heeft haar gemachtigde toen aangegeven dat daartegen geen bezwaren bestaan. Appellante is aldus naar het oordeel van de Raad niet in haar belangen geschaad.

4.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD