Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
11-1160 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit kamerverhuur. Geen administratie bijgehouden. Het College heeft het besluit van 19 maart 2009 op juiste wijze bekendgemaakt door toezending aan appellante. Nu dit besluit op 23 maart 2009 aan appellante is toegezonden, is de termijn voor het instellen van bezwaar aangevangen op 24 maart 2009 en geëindigd op 5 mei 2009. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift van 8 april 2009 slechts is gericht tegen het besluit van 13 maart 2009. Dat het intrekkingsbesluit van 13 maart 2009 in het verlengde ligt van het terugvorderingsbesluit van 19 maart 2009, zoals appellante heeft gesteld, brengt niet mee dat het bezwaarschrift van 8 april 2009 om die reden tevens geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 19 maart 2009. De medische gegevens leiden niet tot het oordeel dat appellante niet kan worden gehouden aan haar verklaringen die zij tijdens haar verhoor op 27 januari 2009 heeft afgelegd. De medische gegevens leiden niet tot het oordeel dat het gebruik van de door appellante zonder bijzijn van een raadsman afgelegde verklaringen zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik hiervan door het College ontoelaatbaar moet worden geacht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17, geldigheid: 2011-11-15
Wet werk en bijstand 53a, geldigheid: 2011-11-15
Wet werk en bijstand 54, geldigheid: 2011-11-15
Wet werk en bijstand 58, geldigheid: 2011-11-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/344
ABkort 2011/458

Uitspraak

11/1160 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 januari 2011, 09/2121 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deijkers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Wolters en M. Vriend, beiden werkzaam bij de gemeente Stede Broec.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 mei 1989 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding, inhoudende dat appellante al jaren één of meer Poolse mensen in huis heeft wonen en daarvoor geld zou ontvangen, hebben twee medewerkers van de gemeente Stede Broec op 19 september 2008 een huisbezoek afgelegd bij appellante. Tijdens dit huisbezoek verklaarde appellante dat een Oekraïense man in een kamer verbleef en daarvoor € 45,-- per week betaalde. Hierop heeft de Sociale Recherche Noord-Holland Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 10 februari 2009.

1.3. Het College heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gevonden om bij besluit van 13 maart 2009 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot 19 september 2008 in te trekken. Voorts heeft College bij besluit van 19 maart 2009 de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 141.968,82 van appellante teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van inkomsten uit kamerverhuur in de genoemde periode en dat zij van deze inkomsten geen administratie heeft bijgehouden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 14 juli 2009 heeft het College de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 14 juli 2009 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 ongegrond is verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde besluit.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de rechtbank haar bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het door haar gemachtigde ingediende bezwaarschrift van 8 april 2009, gericht tegen het besluit van 13 maart 2009, tevens moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 19 maart 2009, omdat de besluiten van 13 en 19 maart 2009 in elkaars verlengde liggen en het bezwaarschrift na deze besluiten is ingediend. Subsidiair is appellante van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de gemachtigde van appellante pas van het besluit van

19 maart 2009 op de hoogte is geraakt, nadat het College dit besluit als onderdeel van diverse andere stukken in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2009 naar het kantoor van de gemachtigde had verzonden.

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het College het besluit van 19 maart 2009 op juiste wijze heeft bekendgemaakt door toezending aan appellante. Nu dit besluit op 23 maart 2009 aan appellante is toegezonden, is de termijn voor het instellen van bezwaar aangevangen op 24 maart 2009 en geëindigd op 5 mei 2009. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift van 8 april 2009 slechts is gericht tegen het besluit van 13 maart 2009. Dat het intrekkingsbesluit van 13 maart 2009 in het verlengde ligt van het terugvorderingsbesluit van 19 maart 2009, zoals appellante heeft gesteld, brengt niet mee dat het bezwaarschrift van 8 april 2009 om die reden tevens geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 19 maart 2009. Het betreft twee te onderscheiden besluiten waartegen afzonderlijk bezwaar moet worden gemaakt. Nu pas uit het aanvullend bezwaarschrift van 18 mei 2009 tegen het besluit van 13 maart 2009 blijkt dat appellante tevens bezwaar maakt tegen het terugvorderingsbesluit van 19 maart 2009, dient de conclusie te zijn dat te laat bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 19 maart 2009. Dat de gemachtigde van appellante pas in een laat stadium op de hoogte is geraakt van het besluit van 19 maart 2009 is geen grond om te oordelen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Niet gebleken is dat appellante haar gemachtigde niet tijdig van het besluit van 19 maart 2009 op de hoogte heeft kunnen stellen. Bovendien heeft de gemachtigde van appellante het besluit van 19 maart 2009 nog voor het einde van de bezwaartermijn door het College toegestuurd gekregen. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.2. Dit oordeel brengt tevens mee dat hetgeen appellante in hoger beroep tegen de terugvordering heeft aangevoerd, verder onbesproken zal blijven.

4.2. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om appellante niet aan haar verklaringen te houden die zij tijdens haar verhoor op 27 januari 2009 ten overstaan van de Sociale Recherche heeft afgelegd. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd. Er is sprake van een bijzondere omstandigheid om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat in het algemeen mag worden uitgegaan van de aanvankelijk tegen opsporingsfunctionarissen afgelegde verklaringen. Uit de medische gegevens van appellante blijkt immers dat zij wegens haar manische depressiviteit in situaties, waarin zij onder druk wordt gezet, impulsief kan handelen, dat zij haar verklaring niet bij vol bewustzijn heeft afgelegd of niet voor waar kan worden gehouden dan wel dat zij niet in staat is geweest coherent te verklaren. Bovendien had het College, gelet op de medische situatie van appellante, moeten weten dat bijstand door een raadsman tijdens het verhoor noodzakelijk was. Omdat het bewijs hierdoor is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, had dit onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd.

4.2.1. De Raad stelt vast dat de medische gegevens waarop appellante zich beroept, bestaan uit een aan de gemachtigde van appellante gerichte brief van 5 juni 2009 van psychiater R.A. Jokhoe van de Stichting Time-Out, waar appellante onder behandeling staat, alsmede uit een psychiatrisch rapport van 26 maart 2010 dat psychiater S.C.J. Frehe in opdracht van de rechter-commissaris heeft opgesteld in het kader van het hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling van appellante. Uit beide stukken blijkt dat appellante lijdt aan een manisch depressieve stoornis. De brief van Jokhoe vermeldt dat appellante nauwelijks ziektebesef en -inzicht heeft waardoor zij beperkt wilsbekwaam wordt geacht, appellante door haar ziekte impulsief handelt en de consequenties van haar impulsieve handelen onvoldoende overziet. Het psychiatrisch rapport van Frehe vermeldt voorts, samengevat, het volgende. Appellante was zich ervan bewust dat het innen van huurinkomsten gemeld moest worden aan de uitkerende instantie en haar zoon heeft haar ook nog een keer gewaarschuwd dat zij problemen zou krijgen als zij haar inkomsten niet zou gaan opgeven. Zij verkeerde in het naïeve geloof dat zij kleine bedragen niet hoefde te melden, mede omdat anderen in de buurt dit ook zo deden. Door haar cognitieve beperkingen had zij onvoldoende zicht op haar inkomsten en uitgaven en besefte zij niet het belang van een adequate boekhouding en aangifte van haar inkomsten. Zodoende is zij verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Gelet op haar bipolaire stoornis zullen er tijden zijn geweest waarin de realiteitstoetsing van appellante min of meer adequaat was en ook tijden waarin die ernstig gestoord was.

4.2.2. De Raad is van oordeel dat de medische gegevens niet tot het oordeel leiden dat appellante niet kan worden gehouden aan haar verklaringen die zij tijdens haar verhoor op 27 januari 2009 heeft afgelegd. Op grond van de medische gegevens kan weliswaar worden aangenomen dat appellante impulsief handelt en de consequenties van haar verklaringen niet geheel heeft overzien, maar er is geen grond om aan te nemen dat de feitelijke inhoud van het door haar verklaarde voor onwaar of onjuist moet worden gehouden. Hiervoor is te minder reden aangezien ook uit de diverse getuigenverklaringen blijkt dat appellante reeds lange tijd kamers verhuurde en appellante tijdens de zitting van de rechtbank heeft verklaard dat zij tijdens haar verhoor heel eerlijke antwoorden heeft gegeven. De rechtbank heeft er voorts terecht op gewezen dat appellante op onderdelen, bijvoorbeeld over welke personen gedurende welke perioden bij haar hebben verbleven, gedetailleerd heeft verklaard.

4.2.3. De Raad stelt vast dat appellante, na haar aanhouding op verdenking van overtreding van de artikelen 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, op 27 januari 2009 als verdachte is verhoord zonder bijzijn van een raadsman. De rechtbank heeft overwogen dat voor zover het betoog van appellante erop neerkomt dat vanwege de beweerdelijke schending van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het mede door die schending verkregen bewijs niet door het College kan worden benut, het vaste rechtspraak van de Raad is dat dit slechts dan het geval is indien het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de medische gegevens niet tot het oordeel leiden dat het gebruik van de door appellante zonder bijzijn van een raadsman afgelegde verklaringen zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik hiervan door het College ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat op grond van de medische gegevens er niet van uit mag worden gegaan dat het voor haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat enige feiten of omstandigheden van invloed waren op het recht op bijstand. Ook staat volgens haar onvoldoende vast dat de kamerverhuur in 1997 is begonnen. In dit verband heeft zij er tevens op gewezen dat de getuigenverklaringen niet duidelijk zijn over de mate waarin onderdak is geboden en in welke perioden dit is geschied en dat haar zoon hierover ten onrechte niet is gehoord. Appellante is voorts van opvatting dat haar, gelet op de medische gegevens, niet kan worden verweten dat zij in de periode hier van belang geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Ook heeft zij erop gewezen dat in de WWB niet is bepaald dat belanghebbenden hun administratie zo lang, laat staan twaalf jaar, moeten bewaren. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat de intrekking van de bijstand over de gehele periode disproportioneel is, omdat die intrekking niet in verhouding staat tot de genoten huurinkomsten.

4.3.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, zoals dat luidde tot 1 januari 2004, en artikel 17, eerste lid, van de WWB, zoals dat is gaan luiden vanaf 1 januari 2004, doet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.2. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat de kamerverhuur en de daarmee gepaard gaande inkomsten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Uit het proces-verbaal van het verhoor op 27 januari 2009, en daarnaast uit het rapport van psychiater Frehe, blijkt dat appellante zich ervan bewust was dat het innen van huurinkomsten moest worden gemeld. Het beroep van appellante op de opmerking in het rapport van psychiater Frehe dat appellante in het naïeve geloof verkeerde dat zij kleine bedragen niet hoefde te melden, kan haar niet baten. Uit het proces-verbaal blijkt immers geenszins dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat zij de huurinkomsten vanwege de vermeende beperkte omvang ervan niet hoefde te melden. Integendeel, daaruit blijkt dat zij zich realiseerde dat zij van de huurinkomsten wel melding moest maken. Zo verklaarde zij dat zij tijdens het huisbezoek op 19 september 2008 naar aanleiding van het vermoeden van kamerverhuur dacht “nu ben ik de klos”. Bovendien heeft zij verklaard dat haar zoon en ook anderen haar hadden gewaarschuwd dat hetgeen zij deed eigenlijk niet kon. De Raad overweegt overigens nog dat, ook indien moet worden uitgegaan van de door appellante genoemde huurinkomsten - zij heeft onder meer bedragen van € 45,-- en € 50,-- per week genoemd - dit geenszins kleine bedragen zijn die voor de vaststelling van het recht op bijstand niet relevant zijn. Er is voorts geen grond om te oordelen dat het College ten onrechte is uitgegaan van 1997 als standpunt van de kamerverhuur. Appellante heeft immers dit jaar tijdens haar verhoor bij herhaling genoemd als het jaar waarin zij hiermee is begonnen. De Raad wijst er voorts op dat zij heeft verklaard dat haar moeder in 1996 is overleden en dat haar ex-echtgenoot in januari 1997 met twee mensen is gekomen die vervolgens bijna twee jaar zijn gebleven. Er is te minder aanleiding appellante niet aan haar verklaring te houden, nu zij ook tijdens het psychiatrisch onderzoek door Frehe 1996 of 1998 als beginjaar heeft genoemd. Gelet op de duidelijke verklaring van appellante was er, anders dan zij heeft aangevoerd, geen reden om haar zoon te horen. Overigens had appellante desgewenst haar zoon als getuige kunnen meebrengen naar de zitting van de rechtbank of de Raad.

4.3.3. De Raad komt met het College en de rechtbank tot de conclusie dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College geen mededeling te doen van de kamerverhuur vanaf 1997 en de daaruit genoten huurinkomsten. Aangezien appellante hiervan geen administratie heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was het College ingevolge artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken.

4.3.4. Voor zover appellante van opvatting is dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid, overweegt de Raad het volgende. Ingevolge artikel 2 van de Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand kan op grond van dringende redenen van het nemen van een intrekkingsbesluit worden afgezien. In hetgeen appellante heeft aangevoerd (zie onderdeel 4.3 van deze uitspraak) ziet de Raad evenals het College geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Naast de in onderdeel 4.2.2 door de Raad gegeven overwegingen over de medische kant van de zaak, wijst de Raad er in dit verband nog op dat appellante weliswaar aan een bipolaire stoornis lijdt, maar uit het psychiatrisch rapport van Frehe ook blijkt dat er tijden zullen zijn geweest dat de realiteitstoetsing van appellante min of meer adequaat was. Dat in de WWB niet is bepaald hoe lang belanghebbenden hun administratie moeten bewaren, kan appellante ook niet baten. Schending van de wettelijke inlichtingenverplichting kan tot gevolg hebben dat de bijstand over een lange periode wordt ingetrokken en teruggevorderd. Het niet bewaren van de administratie komt dan voor rekening en risico van betrokkene. Het feit dat appellante geen administratie heeft bijgehouden en het recht op bijstand over de periode in geding aldus niet kan worden vastgesteld, brengt tevens mee dat er geen grond is om te oordelen dat de intrekking van de bijstand als disproportioneel moet worden aangemerkt.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD