Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09-5538 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor een openstaande huurschuld van € 1.749,-- bij woningbouwvereniging. Niet voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van zeer dringende redenen. Geen sprake meer van een dreigende huisuitzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5538 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 augustus 2009, 08/6115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.G.W.M.H. Vermeulen en M.D.C. Schouwenaars, beiden werkzaam bij de gemeente Moerdijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 9 april 2008 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor een openstaande huurschuld van € 1.749,-- bij woningbouwvereniging [woningbouwvereniging]. De schuld is ontstaan ten gevolge van achterstallige huurbetalingen in de periode van januari 2007 tot en met januari 2008.

1.2. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond verklaard op de grond dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) bijstandsverlening voor schulden in de weg staat en dat er geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, om in afwijking van deze hoofdregel bijzondere bijstand te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.2. Vaststaat dat appellante ten tijde van het ontstaan van de huurschuld beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dan ook een beletsel voor verlening van bijstand voor gemaakte schulden.

4.3. Het College is op grond van artikel 49 van de WWB bevoegd om van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB af te wijken. In artikel 49 van de WWB is specifiek aangegeven aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om bijzondere bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast te kunnen verlenen. Voor zover hier van belang, dient op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB voor bijstandsverlening te zijn voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van zeer dringende redenen.

4.4. In de gedingstukken en in hetgeen namens appellante is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in haar geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in bovengenoemde zin. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake meer was van een dreigende huisuitzetting. De Raad wijst daarbij op de brief van 31 juli 2008 van de woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] waarin aan appellante is medegedeeld dat de ontruiming is uitgesteld met zes weken, en op de omstandigheid dat appellante op 9 september 2008 een machtiging heeft getekend voor een maandelijkse inhouding op haar uitkering ten behoeve van de aflossing van de huurschuld, waarmee een dreigende huisuitzetting is afgewend. Voorts ziet de Raad in de Rapportage Psycho Diagnostisch Onderzoek van 7 november 2008 geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van zeer dringende reden in meergenoemde zin.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het College zich terecht niet bevoegd heeft geacht om de gevraagde bijzondere bijstand aan appellante te verlenen.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD