Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
09-5899 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Inkomsten uit verhuur. Schending inlichtingeverplichting. Gelet op de annuleringsvoorwaarden en de onderaan de jaarlijkse overzichten van City Mundo opgenomen N.B., is voorts aannemelijk dat annuleringen en wijzigingen in deze overzichten zijn verwerkt. De Raad wijst in dit verband ook nog op de brief van City Mundo van 4 december 2008, waarin is vermeld dat “no shows” die niet direct worden doorgegeven niet als zodanig in het systeem worden aangemerkt. Voor zover volgens appellante sprake was van afmeldingen en wijzigingen die niet in de jaarlijkse overzichten zijn verwerkt, is het aan haar om daarvan het bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5899 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2009, 09/1842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, thans advocaat te Opperdoes, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 16 maart 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip, dat appellante via City Mundo een kamer in haar woning verhuurt aan toeristen, heeft de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam onderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2008. Vervolgens is de zaak overgedragen aan de afdeling Opsporing, mede met het oog op het verkrijgen van gegevens van City Mundo. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 9 december 2008.

1.3. Op grond van beide onderzoeken heeft het College bij besluit van 27 januari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 april 2009, de bijstand herzien over de periode van 16 maart 2003 tot en met 31 juli 2008 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.572,95 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van

10 juli 2009 heeft het College, onder intrekking van het besluit van 3 april 2009, besloten om de bezwaren van appellante deels gegrond te verklaren en de door haar ontvangen bedragen van toeristen toe te rekenen aan de maanden waarin deze zijn genoten. Dit heeft er, voor zover thans van belang, toe geleid dat het terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op € 29.197,16. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de inkomsten uit verhuur in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het College heeft opgegeven, als gevolg waarvan teveel bijstand is verleend. Daarbij is het College uitgegaan van de door City Mundo over de jaren 2003 tot en met 2007 verstrekte overzichten van reserveringen door toeristen op het adres van appellante en is geen rekening gehouden met verwervingskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 10 juli 2009 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het College bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten terecht uitgegaan van de overzichten van City Mundo, nu appellante haar stelling, dat een deel van de op die overzichten voorkomende reserveringen is geannuleerd, niet met bewijs heeft onderbouwd. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellante heeft erkend dat gelet op de jurisprudentie van de Raad geen rekening kan worden gehouden met verwervingskosten bij het bepalen van de hoogte van haar inkomsten. Van ongelijke behandeling van appellante ten opzichte van personen op wie de zogeheten bescheiden schaalregeling van toepassing is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu pas na een voorafgaande aanvraag aan deze regeling kan worden deelgenomen en appellante een dergelijke aanvraag niet heeft ingediend; zij wordt gelijk behandeld aan degenen die geen aanvraag tot deelname aan deze regeling hebben gedaan. Evenmin kan appellante met succes een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van werknemers die vergoedingen en verstrekkingen ontvangen die ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de WWB niet tot de middelen worden gerekend, aangezien het volgens de rechtbank een relevant onderscheid is dat appellante niet in loondienst, maar zelfstandig werkzaam is. Naar aanleiding van het beroep van appellante op de Memorie van Toelichting bij artikel 31, derde lid, van de WWB heeft de rechtbank overwogen dat uit de toelichting blijkt dat met feitelijk besteedbare middelen is bedoeld het feitelijk ontvangen netto inkomen, derhalve het inkomen na aftrek van daarover verschuldigde belasting en premies en niet het inkomen minus de verwervingskosten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 10 juli 2009 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het in geval van schending van de inlichtingenverplichting aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Niet in geschil is dat appellante door geen opgave te doen van de onderhavige inkomsten de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2. De Raad onderschrijft de overwegingen op grond waarvan de rechtbank het besluit van 10 juli 2009 in stand heeft gelaten. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.3. Naar aanleiding van de stelling van appellante, dat het niet aannemelijk is dat sprake was van 100% opkomst, voegt de Raad hieraan nog toe dat het weliswaar aannemelijk is dat een gedeelte van de reserveringen is geannuleerd, maar dat het, gelet op de annuleringsvoorwaarden en de onderaan de jaarlijkse overzichten van City Mundo opgenomen N.B., voorts aannemelijk is dat annuleringen en wijzigingen in deze overzichten zijn verwerkt. De Raad wijst in dit verband ook nog op de brief van City Mundo van 4 december 2008, waarin is vermeld dat “no shows” die niet direct worden doorgegeven niet als zodanig in het systeem worden aangemerkt. Voor zover volgens appellante sprake was van afmeldingen en wijzigingen die niet in de jaarlijkse overzichten zijn verwerkt, is het aan haar om daarvan het bewijs te leveren. De enkel van appellante afkomstige doorhalingen en met pen aangebrachte wijzigingen op de overzichten van City Mundo zijn daarvoor onvoldoende.

4.4. Over de verwijzing van de gemachtigde van appellante ter zitting naar een ander gedeelte van de Memorie van Toelichting bij artikel 31, derde lid, van de WWB overweegt de Raad dat ook daaruit volgt dat met feitelijk besteedbare middelen is bedoeld het inkomen onder aftrek van daarover verschuldigde belasting en premies en niet het inkomen onder aftrek van de verwervingskosten.

4.5. Gelet op het verhandelde ter zitting overweegt de Raad volledigheidshalve nog dat geen sprake is van een lacune in de wetgeving die het College had behoren te vullen, zoals namens appellante is gesteld. Zoals de gemachtigde van het College ter zitting heeft aangegeven had appellante immers voor de kosten die zij in verband met het verwerven van haar inkomsten diende te maken - vooraf - bijzondere bijstand kunnen aanvragen.

4.6. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.N.A. Bootsma en J.M.A. Van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J. van Dam.

HD