Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10-5154 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Het deskundigenrapport dat is opgesteld in het kader van procedurenummer 07/2162 WW ligt naar het oordeel van de Raad grotendeels in dezelfde lijn als de verklaring van psychiater Veldman, welke door verzoeker in hoger beroep is overgelegd en door de Raad bij zijn uitspraak van 5 juli 2007 is betrokken. Voor zover het deskundigenrapport van psychiater Kuilman leidt tot een andere slotsom, wordt naar het oordeel van de Raad slechts een andere kwalificatie gegeven van reeds bekende medische gegevens, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5154 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 juli 2007, 06/1990 AW

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoeker

en

de raad van de gemeente Medemblik als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Noorder-Koggenland (hierna: gemeenteraad)

Datum uitspraak: 10 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van

5 juli 2007.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. De gemeenteraad heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.L.B. Rensen-van Wissen, advocaat te Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.1. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad met de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gegevens voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat sprake is van ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 8:6 van de CAR/UWO, en dat niet staande gehouden kan worden dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken.

2. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening aangevoerd dat er door de uitspraak van de Raad in procedurenummer 07/2162 WW nieuw materiaal ter beschikking is gekomen, op basis waarvan de onderhavige zaak heropend dient te worden. Uit de bijgevoegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoeker doelt op het rapport van de door de Raad in de hiervoor genoemde zaak ingeschakelde deskundige professor dr. M. Kuilman.

Voorts is door verzoeker aangevoerd dat in procedurenummer 07/2162 WW niet is ingegaan op de door verzoeker in de pleitnotitie gevraagde vergoeding van € 12.000,- ter dekking van gemaakte kosten.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad gaat er allereerst vanuit dat verzoeker, die zijn tot de Raad gerichte verzoek om herziening heeft gebaseerd op artikel 4:6 van de Wab, gelet op de inhoud van zijn verzoekschrift de bedoeling heeft gehad om een verzoek om herziening op grond van artikel 8:88 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in te dienen.

3.2. De Raad is van oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd - wat er verder van zij - geen feiten of omstandigheden betreft die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak. Het deskundigenrapport dat is opgesteld in het kader van procedurenummer 07/2162 WW ligt naar het oordeel van de Raad grotendeels in dezelfde lijn als de verklaring van psychiater Veldman, welke door verzoeker in hoger beroep is overgelegd en door de Raad bij zijn uitspraak van 5 juli 2007 is betrokken. Voor zover het deskundigenrapport van psychiater Kuilman leidt tot een andere slotsom, wordt naar het oordeel van de Raad slechts een andere kwalificatie gegeven van reeds bekende medische gegevens, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van de Awb.

Ten aanzien van de stelling dat niet is ingegaan op de gevraagde vergoeding van € 12.000,- merkt de Raad tot slot op dat dit feit geen betrekking heeft op de zaak waarvan herziening wordt verzocht.

3.3. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. De Raad merkt daarbij nog op dat het buitengewone rechtsmiddel van herziening niet is bedoeld om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervóór bedoeld, de discussie over het in de uitspraak beslechte geschil of over de uitspraak zelf te heropenen.

4. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD