Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
11-1472 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aangeboden functie van senior verpleegkundige voor betrokkene moet worden gezien als een aanbod van passende arbeid. De Raad is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen het door betrokkene niet aanvaarden van de functie van senior verpleegkundige en haar werkloosheid. Zou betrokkene deze functie wel hebben aanvaard, dan zou dit niet tot een ontbindingsverzoek van de zijde van de KUN hebben geleid. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst na het niet aanvaarden van dit aanbod nog enige maanden heeft voortgeduurd, omdat de KUN en betrokkene eerst hebben onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst, maakt dit niet anders. Het was betrokkene in ieder geval op 9 juli 2009 duidelijk dat de werkgever zou streven naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, indien zij de functie van senior verpleegkundige niet zou aanvaarden. Van deugdelijke redenen om het aanbod niet te aanvaarden is niet gebleken mede gelet op het feit dat het een functie op de polikliniek betrof, waarbij de werktijden in overeenstemming waren met de voorkeur van betrokkene. Door niet de aangeboden passende arbeid te aanvaarden is betrokkene de verplichting, haar op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW opgelegd, niet nagekomen en is zij werkloos geworden. Appellant heeft de uitkering terecht blijvend geheel geweigerd voor het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan indien betrokkene de aangeboden passende arbeid had aanvaard.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/5
TRA 2012/21

Uitspraak

11/1472 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 februari 2011, 10/2517 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.H. Pomp, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Pomp.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 1 februari 1981 in dienst getreden van [werkgever]. Zij vervulde laatstelijk de functie van verpleegkundig werkplekmanager. Bij brief van 27 juni 2008 is betrokkene geïnformeerd dat geconstateerd is dat er onvoldoende draagvlak bestaat dat zij deze functie blijft vervullen en is zij uit deze functie ontheven. Betrokkene is tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Haar is coaching en een loopbaantraject aangeboden. Zij heeft in dat kader onder meer gesprekken gevoerd met een loopbaanadviseur. Bij brief van 6 maart 2009 is betrokkene geïnformeerd dat zij in staat wordt geacht een functie te vervullen die past bij de uitkomsten van het gestarte traject en dat betrokkene over de periode van 1 maart 2009 tot 1 september 2009 is aangemerkt als voorrangskandidaat. In gesprekken op 23 maart 2009, 9 juli 2009 en 28 juli 2009 is haar een functie van senior verpleegkundige aangeboden, welke functie betrokkene niet heeft geaccepteerd. [De werkgever] heeft vervolgens op 9 november 2009 de kantonrechter verzocht de tussen haar en betrokkene bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden. Bij beschikking van 7 januari 2010 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 16 januari 2010. Aan betrokkene is bij die beschikking geen vergoeding toegekend.

1.2. Betrokkene heeft met ingang van 16 januari 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 28 januari 2010 heeft appellant die uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Bij besluit van 3 juni 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 januari 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene niet heeft voorkomen werkloos te zijn of te blijven doordat zij heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank acht de functie van senior verpleegkundige passend, maar is van oordeel dat betrokkene werkloos is geworden doordat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, en niet (direct) werkloos is doordat zij heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden, aangezien het dienstverband op het moment van afwijzing nog voortduurde. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten.

3.1. Appellant is van mening dat ook sprake kan zijn van het nalaten passende arbeid te aanvaarden in een geval dat hierdoor werkloosheid ontstaat. Hij leidt dit onder meer af uit de redactie van artikel 27, tweede lid, van de WW, waarin is vermeld ‘of niet zou zijn ontstaan’. Appellant acht de grammaticale interpretatie van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW in de aangevallen uitspraak onjuist. Betrokkene heeft volgens appellant nagelaten passende arbeid te aanvaarden door de aangeboden functie van senior verpleegkundige – in dagdienst – niet te aanvaarden, waarna ontbinding van de dienstbetrekking plaatsvond en werkloosheid ontstond.

3.2. Betrokkene stelt voorop dat van verwijtbare werkloosheid geen sprake is en wijst erop dat dit door appellant is erkend. Volgens haar moet onderscheid worden gemaakt tussen het werkloos worden en het werkloos zijn of blijven. In de onderhavige situatie is sprake van het werkloos worden en niet van het werkloos zijn of blijven. Zij heeft aangevoerd dat appellant aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW een andere interpretatie tracht te geven en tevens tracht deze bepaling toe te passen op de situatie van werkloos worden. Betrokkene stelt dat dit nimmer door de wetgever is bedoeld en ook niet past in het licht van de uitleg van het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’ sinds 1 oktober 2006. Zou de redenering van appellant worden gevolgd in die zin dat elke keer getoetst moet worden of een gedraging van een werknemer – via artikel 27, tweede lid, van de WW – in strijd is met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, dan wordt daarmee de discussie heropend, die men juist wilde sluiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep alleen de vraag aan de orde is of betrokkene de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW neergelegde verplichting heeft overtreden om te voorkomen dat een werknemer werkloos is of blijft, doordat hij nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Voor de relevante bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad heeft artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet alleen betrekking op situaties tijdens de duur van de werkloosheid, maar ook op situaties voor aanvang daarvan. De Raad verwijst daartoe naar rechtsoverweging 4.2 van zijn uitspraak van 12 januari 2011, LJN BP0952, waarin is overwogen dat hij – nu artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet is gewijzigd bij de Wet wijziging WW-stelsel (Stb. 2006, 303) – geen aanleiding ziet om over de reikwijdte van dit artikellid thans anders te oordelen dan voor de inwerkingtreding van die wet met ingang van 1 oktober 2006.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aangeboden functie van senior verpleegkundige voor betrokkene moet worden gezien als een aanbod van passende arbeid. De Raad verwijst daarbij naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen, waartegen betrokkene geen argumenten heeft aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

4.4. Uit de gedingstukken blijkt dat het UMC heeft getracht betrokkene te begeleiden naar een andere functie. In dat kader is haar de mogelijkheid geboden van het volgen van een loopbaantraject en is haar begeleiding geboden door een loopbaanadviseur en personeelsadviseur. Betrokkene was in een gesprek van 23 maart 2009 te kennen gegeven dat het in gang gezette loopbaantraject eindig is. In dat gesprek is betrokkene gevraagd breder te kijken naar mogelijkheden voor een functie binnen het UMC. Daarbij is de terugkeer naar de functie van senior verpleegkundige op de polikliniek aan de orde geweest, waarop betrokkene heeft aangegeven daarin geen toekomst te zien. Nadat het UMC betrokkene in een gesprek op 9 juli 2009 had voorgehouden tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te willen komen is haar wederom de functie van senior verpleegkundige aangeboden, waarbij is toegezegd dat een plaatsing op haar oude afdeling niet aan de orde is. Betrokkene heeft te kennen gegeven daarover nog te willen nadenken, maar dit als een gepasseerd station te zien en zich af te vragen of die functie verenigbaar is met haar gezinsleven. Tijdens een gesprek op 28 juli 2009 heeft betrokkene duidelijk gemaakt deze functie niet te willen aanvaarden. De Raad is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen het door betrokkene niet aanvaarden van de functie van senior verpleegkundige en haar werkloosheid. Zou betrokkene deze functie wel hebben aanvaard, dan zou dit niet tot een ontbindingsverzoek van de zijde van de KUN hebben geleid. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst na het niet aanvaarden van dit aanbod nog enige maanden heeft voortgeduurd, omdat de KUN en betrokkene eerst hebben onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst, maakt dit niet anders. Het was betrokkene in ieder geval op 9 juli 2009 duidelijk dat de werkgever zou streven naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, indien zij de functie van senior verpleegkundige niet zou aanvaarden. Van deugdelijke redenen om het aanbod niet te aanvaarden is niet gebleken mede gelet op het feit dat het een functie op de polikliniek betrof, waarbij de werktijden in overeenstemming waren met de voorkeur van betrokkene. Door niet de aangeboden passende arbeid te aanvaarden is betrokkene de verplichting, haar op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW opgelegd, niet nagekomen en is zij werkloos geworden. Appellant heeft de uitkering terecht blijvend geheel geweigerd voor het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan indien betrokkene de aangeboden passende arbeid had aanvaard.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. van Eijndthoven.

KR