Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-6925 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor tenminste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6925 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2010, 09/7340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011 waarbij het hoger beroep van appellant gevoegd behandeld is met de hoger beroepen geregistreerd onder nummers 10/6580 ZW en 10/5920 ZW. Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken met nummers 10/6580 ZW en 10/5920 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Op 2 juni 2009 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met (toegenomen) klachten aan de rechter elleboog. Op 8 september 2009 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van eigen onderzoek heeft geconstateerd dat appellant ondanks klachten van een tenniselleboog in staat moest worden geacht zijn arbeid te verrichten, te weten één van de in het kader van een eerdere WAO-beoordeling aan appellant voorgehouden functies. Op grond daarvan heeft deze verzekeringsarts appellant met ingang van 8 september 2009 weer hersteld verklaard. Bij besluit van gelijke datum is appellants uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) met ingang van 8 september 2009 beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts

W.S. Vrijlandt van 23 september 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het door de artsen van het Uwv ingenomen standpunt dat appellant, rekening houdende met zijn beperkingen, in staat moet worden geacht per 8 september 2009 zijn arbeid te verrichten. De rechtbank heeft daarbij mede van belang geacht dat de door haar, in het kader van een beroep tegen een eerder ZW-besluit geraadpleegde deskundige, orthopedisch chirurg B.G. Schutte in zijn rapport van 28 april 2010 geconcludeerd heeft dat er bij appellant een ongestoorde functie van de rechterarm met subjectief krachtsverlies, zonder atrofie bestaat. De deskundige heeft in zijn rapport vermeld dat hij zich kan verenigen met de door de artsen van het Uwv aangenomen beperkingen en acht appellant in staat tot het verrichten van de in het kader van een eerdere WAO-procedure aan hem voorgehouden functies. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen medische gegevens heeft ingebracht waaruit het tegendeel blijkt.

3. Met betrekking tot hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

3.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 8 september 2009 in elk geval niet (langer) ongeschikt moest worden geacht voor één van de aan hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.

3.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een beëindiging van de ZW-uitkering gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.S. Vrijlandt van 23 september 2009 waarin gemotiveerd wordt gesteld dat appellants belastbaarheid per 8 september 2009 niet is toegenomen ten opzichte van 29 mei 2008 en dat hij in staat moest worden geacht zijn arbeid te verrichten. Daarbij acht de Raad tevens van belang dat tussen de datum hier in geding en de dag waarop appellant door deskundige Schutte is onderzocht, te weten 22 maart 2010, slechts een periode van een half jaar gelegen is en dat appellants klachten op beide data nagenoeg gelijk waren. De Raad komt op basis hiervan tot het oordeel dat de conclusies van de deskundige van toepassing kunnen worden geacht op de onderhavige datum in geding, zodat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat appellant per de datum in geding geschikt was voor zijn arbeid, bevestiging vindt in het rapport van de deskundige.

3.4. Nu namens appellant in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, slaagt het hoger beroep van appellant niet.

4. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

TM