Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10-6286 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts volgt dat met de informatie van de psychiater rekening is gehouden. Geschikhtheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/449

Uitspraak

10/6286 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2010, 09/4473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. J. Koning.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 april 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 30 juni 2009 wordt verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het Uwv beslissend op bezwaar de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juni 2009 vastgesteld op 25-35%. Het Uwv heeft zijn besluit van 28 augustus 2009 doen steunen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 16 juli 2009, en van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juli 2009 als mede op de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 26 september 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit gedateerd 28 augustus 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv het besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages en de FML, genoemd in 1.2.

3.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bedoeld in 2 bestreden. Naar zijn mening dient de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en zijn beroep alsnog gegrond te verklaren.

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen juist beeld geeft van zijn gezondheidssituatie en de bij hem bestaande mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. De appellant behandelende psychiater S. Sidali heeft in zijn brief van 7 april 2010 geschreven dat de behandeling in december 2009 is gestart. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de klachten op de in geding zijnde datum van 30 juni 2009 niet aanwezig waren. Appellant is van mening dat het niet geloofwaardig is dat de klachten uit het niets zijn ontstaan. Psychische klachten kunnen zich in de loop der tijd opbouwen en toenemen. Voordat appellant bij Sidali kwam is hij bij de huisarts geweest met zijn klachten. In zijn brief van 17 januari 2011 heeft Sidali aangegeven dat de klachten in feite al jarenlang bestonden.

4.1.1. De Raad overweegt als volgt.

4.1.2. Aan rapportages opgesteld door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige komt, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren.

Zulks betekent echter volgens de vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wel aan appellant om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Dit kan geschieden door niet medisch geschoolden.

Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 17 december 2004, LJN AR8889, 13 juli 2005, LJN AT9828 en 10 januari 2007,

LJN AZ6138.

4.2. Met hetgeen appellant in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het Uwv zijn besluit van 28 augustus 2009 heeft kunnen baseren op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 16 juli 2009 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juni 2009. De in het hoger beroepschrift verwoorde grond dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat geen rekening is gehouden met de opvatting van de appellant behandelende psychiater, treft geen doel. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts volgt dat met de informatie van de psychiater rekening is gehouden.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom deze reeds in beroep aangevoerde grond van appellant niet kan slagen. De Raad verwijst naar deze overwegingen en voegt hier aan toe dat Sidali in zijn schrijven van 7 april 2010 onder de anamnese heeft geschreven dat de klachten van appellant eerder zijn ontstaan. Er zijn echter geen objectieve, medische gegevens die daar op wijzen. Sidali heeft niet aangegeven dat hij, bijvoorbeeld op grond van eigen psychisch onderzoek, de stelling van appellant kan bevestigen. Uit de door appellant in geding gebrachte informatie van de huisarts van appellant blijkt evenmin dat er objectieve medische aanwijzingen zijn dat de psychische beperkingen van appellant op de hier in geding zijnde datum meer of anders zijn dan in de FML is opgenomen.

4.3. Nu appellant ook in hoger beroep geen gronden heeft ingediend die zich richten tegen de arbeidskundige component van de schatting, volstaat de Raad met te verwijzen naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank oordeelt dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De Raad maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.4. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding appellant te doen onderzoeken door een deskundige. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische situatie van appellant en de hieruit per die datum voor hem voorvloeiende beperkingen ontbreekt.

5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.2 tot en met 4.4 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) K.E. Haan.

NK