Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-5920 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Geschiktheid voor (één van) de in het kader van een eerdere WAO-beoordeling geselecteerde functie(s). Voldoende medische grondslag. Doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5920 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 oktober 2010, 08/7969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft appellant nadere medische stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft bij brief van 28 september 2011 een rapport van een bezwaarverzekeringsarts in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011, waarbij het hoger beroep van appellant gevoegd behandeld is met de hoger beroepen geregistreerd onder nummers 10/6580 ZW en 10/6925 ZW. Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken met nummers 10/6580 ZW en 10/6925 ZW wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als welzijnsmedewerker voor 32 uur per week toen hij in 1998 uitviel wegens psychische klachten. In verband hiermee is hem met ingang van 28 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit is zijn WAO-uitkering, bij besluit van 22 mei 2006, met ingang van

13 juli 2006 ingetrokken omdat appellant met zijn psychische- en handbeperkingen in staat wordt geacht om gangbare arbeid te verrichten.

2. Aansluitend aan de intrekking van de WAO-uitkering is appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft appellant zich met ingang van 5 september 2006 ziekgemeld vanwege knieklachten. Bij besluit van 28 mei 2008 is zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd, aangezien appellant met ingang van 29 mei 2008 weer geschikt werd geacht zijn arbeid te verrichten. Bij besluit van 29 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen die beëindiging van het ziekengeld ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de beschikbare gegevens, met name het rapport van 28 april 2010 van de door haar geraadpleegde deskundige orthopedisch chirurg B.G. Schutte, appellant in staat moet worden geacht (één van) de voor hem in het kader van een eerdere WAO-beoordeling geselecteerde functie(s) te verrichten, waardoor het Uwv terecht en op goede gronden heeft bepaald dat appellant met ingang van 29 mei 2008 geen recht meer had op een ZW-uitkering.

4. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat zijn klachten en beperkingen onvoldoende zijn onderkend en hij niet in staat is de werkzaamheden behorende bij (één van) de functies welke voor hem in het kader van de WAO passend zijn gevonden te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport ingebracht van de hem behandelend neuroloog dr. M.J. Vos van 10 maart 2011.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

5.2. Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het op 28 april 2010 uitgebrachte rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige orthopedisch chirurg Schutte. De deskundige heeft naar het oordeel van de Raad op basis van een zorgvuldig en volledig onderzoek geconcludeerd dat op de datum in geding, te weten 29 mei 2008, bij appellant sprake was van een status na laterale tibiaplateau fractuur van de rechter knie, welke niet in een anatomische stand is geconsolideerd. Voorts heeft de deskundige geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een lichte epicondylitis lateralis. Ondanks deze bevindingen heeft de deskundige, zo blijkt uit het uit het rapport, volledig ingestemd met de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts aangegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juni 2008 en heeft hij geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht de hem, in 2006 in het kader van de eerdere WAO beoordeling voorgehouden functies, te kunnen vervullen. Volgens vaste jurisprudentie wordt door de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geboden. De Raad is van oordeel dat zo’n omstandigheid zich in het onderhavige geval niet voordoet.

5.3. Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van zijn behandelend neuroloog Vos kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De nekklachten, die naar het oordeel van de behandelend neuroloog myogeen van aard zijn, zijn door de deskundige Schutte bij de totstandkoming van zijn rapport meegewogen en hebben niet geleid tot het oordeel dat appellant ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

TM