Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-5572 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Juiste maatstaf arbeid. Zorgvuldig onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5572 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 september 2010, 09/3668 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Ocak, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 oktober 2011. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als postkamermedewerker en heeft daarna tot 31 augustus 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 8 september 2008 heeft hij zich ziek gemeld in verband met psychische klachten. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Appellant is op 11 februari 2009 en op 24 juni 2009 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op het laatste spreekuur heeft verzekeringsarts E. Westerveen appellant onderzocht en de verkregen informatie van de huisarts meegewogen, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat appellant per 1 juli 2009 geschikt werd geacht voor het eigen werk. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2009 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 2009 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 11 november 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker van 25 september 2009 / 23 oktober 2009 / 5 november 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in de over appellant beschikbare medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen – tot wier specifieke deskundigheid het behoort om op grond van de beschikbare medische gegevens beperkingen ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen – niet heeft kunnen volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellant op 1 juli 2009 weer is staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten in twijfel te trekken. Mitsdien is de ZW-uitkering per genoemde datum terecht beëindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen reden is om te oordelen dat het advies van de verzekeringsarts onzorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is, omdat er geen feitelijk medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan zijn wens om nogmaals medisch onderzocht te worden, omdat hij en het Uwv duidelijk van mening verschillen over zijn medische toestand.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als postkamermedewerker, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. Blijkens haar rapportage van 25 september 2009 / 23 oktober 2009 / 5 november 2009 heeft zij dossierstudie verricht, alsmede de overgelegde medische informatie van de behandelend sector meegewogen en heeft zij appellant gezien tijdens de hoorzitting/spreekuur op 25 september 2009. In haar rapportage heeft zij vermeld dat bij appellant niet is gebleken van ernstige depressieve klachten en dat hiervan evenmin blijkt uit het huisartsjournaal. Evenals de verzekeringsarts stelde de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt dat appellant geschikt was voor zijn arbeid, omdat geen sprake was van ernstige psychopathologie en het werk geen grote psychische belastbaarheid vraagt.

4.3. In beroep heeft bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam gereageerd met haar rapportages van 7 februari 2010 en 23 maart 2010. Daarin heeft zij aangegeven dat het feit dat er in de bezwaarfase geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, niet betekent dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Uit alle beschikbare medische gegevens blijkt immers dat de psychische klachten bij appellant op de voorgrond staan en dat de door hem ervaren beperkingen in belangrijke mate door deze psychische klachten worden bepaald. Daarbij komt dat ook uit de gegevens van de huisarts niet valt af te leiden dat er sprake is van ernstige fysieke problemen en dat deze, gelet op de onderzoeksbevindingen bij lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, geen beperking vormen voor het uitvoeren van zijn werk.

4.4. Op basis van de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie hebben de bezwaarverzekeringsartsen naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant per

1 juli 2009 geschikt werd geacht voor zijn arbeid. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Nu appellant in hoger beroep geen andersluidende medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad evenmin aanleiding voor het gelasten van een nader medisch onderzoek.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

NK