Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-3112 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op een uitkering ingevolge de ZW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3112 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2010, 09/4598 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Namens appellante is mr. Brouwer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 22 februari 2007 is de eerder herziene uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de klasse van 15 tot 25% gehandhaafd. Bij uitspraak van 6 oktober 2010, 10/1118 (LJN: BN9711), heeft de Raad geoordeeld dat het hierop betrekking hebbend besluit in rechte stand kan houden.

1.2. Op 24 januari 2008 heeft appellante zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten met uitstraling naar het linkerbeen, anemie, knie- schouder-, nek- en maagklachten. Appellante is op 18 maart 2009 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts I. Stepinsky, die appellante op basis van eigen onderzoek en met inachtneming van de verkregen informatie van de behandelend reumatoloog per 23 maart 2009 geschikt achtte voor de laatstelijk in het kader van de WAO geduide functies. Op basis van deze medische rapportage heeft het Uwv bij besluit van 18 maart 2009 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 23 maart 2009 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 24 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 maart 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 19 mei 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig zou zijn geweest of dat aan de juistheid van hun oordeel zou moeten worden getwijfeld. De in beroep door appellante overgelegde informatie van neuroloog R.S. Rundervoort is door de bezwaarverzekeringsarts meegewogen, maar heeft niet geleid tot een ander standpunt van het Uwv. De rechtbank heeft ook hierin geen aanleiding gezien om aan dat standpunt te twijfelen en heeft geconcludeerd dat appellante met ingang van 23 maart 2009 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er sprake is van een toename van haar klachten ten opzichte van februari 2007, omdat destijds geen rekening is gehouden met haar nek- en schouderklachten en linkerknieklachten. Bovendien is er volgens appellante sprake van meer pijn en verminderde mogelijkheden bij lopen, staan en zitten als gevolg van rug- en beenklachten. Uit de in beroep overgelegde informatie van de neuroloog blijkt volgens appellante dat sprake is van een hernia met uitstralingsklachten, op grond waarvan door het Uwv meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Zij acht de in het kader van de WAO-beoordeling in 2007 geduide functies voor haar dan ook niet passend.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Gelet hierop stelt de Raad vast dat het Uwv van een juiste maatstaf arbeid is uitgegaan.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellantes aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor tenminste één van de in het kader van de WAO geduide functies. Gezien het weinig rugbelastende karakter van die functies moet appellante daartoe volgens de verzekeringsarts zonder meer in staat worden geacht. In de beroepsfase heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de door appellante overgelegde informatie van neuroloog Rundervoort, die een recessus stenose L4-L5 vermeldt. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn, gezien de dominantie van de rugklachten van appellant en het overwegend zittende karakter van de geduide functies, deze functies passend gebleven. Met betrekking tot de belasting in deze functies heeft het Uwv in het verweerschrift, onder verwijzing naar arbeidskundige rapportages, aangegeven dat de functie inpakster koekjes (SBC-code 111190 en de functie medewerkster logistiek (SBC-code111220) passend zijn. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, maar niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De Raad volgt dan ook het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellante met haar klachten per 23 maart 2009 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

NK