Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
09-5295 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat in het besluit van 25 januari 1999, waarbij de eerder aan appellant toegekende leenbijstand met ingang van 1 januari 1999 is voortgezet, geen datum is bepaald waarop appellant tot terugbetaling was gehouden. Voorts stelt de Raad op basis van de beschikbare gegevens vast dat het College ten tijde van het kwijtscheldingsverzoek van appellant van 2 juni 2008 nog niet definitief had vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre appellant recht had op bijstand om niet over de jaren 1999 tot en met 2001. Uit de onder 1.5 vermelde brief van het College van 5 januari 2007 blijkt dat dit afhankelijk was van de inkomensdervingcomponent van de aan appellant uit te keren schadevergoeding. Op het moment dat appellant zijn kwijtscheldingsverzoek indiende, was echter nog steeds niet bekend hoeveel schadevergoeding appellant zou gaan ontvangen. Dit is pas bekend geworden met de onder 1.8 vermelde brief van 21 juli 2008 van PALS groep letselschade specialisten. Met de rechtbank en het College, is de Raad van van oordeel dat ten tijde hier van belang de rechtsvordering tot terugbetaling van de geldlening over 1999 tot en met 2001 nog niet was verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5295 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2009, 08/4268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft als gevolg van een auto-ongeval op 15 april 1998 zijn werkzaamheden als zelfstandig rijschoolhouder moeten staken. In verband hiermee heeft appellant op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) over de periode van 15 april 1998 tot en met 31 juli 2001 algemene bijstand ontvangen in vorm van een renteloze geldlening. In de daarop betrekking hebbende verlenings- en verlengingsbesluiten was opgenomen dat de hoogte van de bijstand definitief wordt vastgesteld zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de Bbz-uitkering is verstrekt.

1.2. In 1998 en 1999 heeft verzekeringsmaatschappij Generali aan appellant voorschotten op materiële en immateriële schadevergoeding uitgekeerd tot een bedrag van in totaal fl. 62.500,-- naar aanleiding van het hem in april 1998 overkomen ongeval.

1.3. Bij besluit van 21 december 1999 heeft het College de bijstand over het (boek)jaar 1998 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van fl. 18.065,29 (= € 8.197,67), op de grond dat appellant, gezien zijn inkomen over dat jaar, niet in aanmerking komt voor bijstand om niet.

1.4. Het College heeft appellant bij brief van 12 december 2006 kenbaar gemaakt dat het saldo van de bij wijze van geldlening verstrekte bijstand op dat moment € 33.531,89 bedroeg. Hierbij is vermeld dat de geldlening over 1998 tot en met 2001 in totaal fl. 90.557,89 (= € 41.093,38) bedroeg en dat hierop € 7.561,49 in mindering is gebracht. Dit laatste bedrag betreft de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) waarop appellant over 1998 tot en met 2001 recht had en die het College in 2003 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) had ontvangen ter verrekening van de aan appellant verstrekte Bbz-uitkering over die periode.

1.5. In reactie hierop heeft appellant bij brief van 19 december 2006 medegedeeld dat zijn inkomen in de jaren 1999 tot en met 2001 onder de jaarnorm is gebleven en dat daarom de over die jaren verleende leenbijstand moet worden omgezet in bijstand om niet. Het College heeft appellant vervolgens bij brief van 5 januari 2007 onder meer meegedeeld dat de hoogte van het inkomen over 1999 tot en met 2001 nog niet bekend is, zodat nog niet kan worden overgegaan tot gehele of gedeeltelijke omzetting van de verstrekte leenbijstand in bijstand om niet. Hierbij is appellant erop gewezen dat geen informatie bekend is over de uiteindelijk aan hem uit te keren schadevergoeding en de aard daarvan. Om vast te kunnen stellen hoeveel de component inkomensderving in de schadevergoeding bedraagt, wordt appellant verzocht de definitieve beslissing van de verzekeringsmaatschappij toe te zenden.

1.6. Bij brief van 2 juni 2008 heeft appellant het College verzocht het onder 1.4 genoemde bedrag van € 33.531,89 wegens verjaring kwijt te schelden.

1.7. Bij besluit van 16 juni 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 september 2008, heeft het College het kwijtscheldingsverzoek van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het College, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De rechtspraak waarop appellant zich beroept ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring is niet van toepassing. Met het vrijkomen van de schade-uitkering vangt voor het College het moment aan om de vordering op te eisen, zodat van verjaring nog geen sprake is.

1.8. Bij brief van 21 juli 2008 heeft PALS groep letselschade specialisten het College medegedeeld dat, wat betreft de aan appellant uit te keren schadevergoeding naar aanleiding van het hem in april 1998 overkomen ongeval, een beginselakkoord is bereikt om de zaak definitief te regelen met een slotbetaling van € 80.000,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling over griffierecht, het beroep tegen het besluit van 23 september 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het ziet op de terugvordering over het jaar 2008, en het besluit van 16 juni 2008 in zoverre herroepen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het besluit van 23 september 2008 voor het overige in stand blijft en dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het College heeft bij besluit van 27 (lees: 21) december 1999 de vordering over 1998 opgeëist. Gelet op de van toepassing zijnde verjaringstermijn die op laatstgenoemde datum is ingegaan, is de vordering over dat jaar verjaard. Het College is nog niet overgegaan tot opeising van de vordering over 1999 tot en met 2001.

Dit betekent dat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:307, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), een verjaringstermijn van twintig jaar geldt. Gelet hierop is de vordering over 1999 tot en met 2001 nog niet verjaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat de vordering over 1999 tot en met 2001 niet is verjaard en het besluit van 23 september 2008 in zoverre in stand heeft gelaten. Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar een aan de rechtbank gerichte brief van 10 mei 2009, dat hij de verstrekte geldlening over 1999 tot en met 2001 wel wil terugbetalen, ware het niet dat hij nog een bedrag van € 3.727,16 van het College tegoed heeft. Hieraan heeft appellant, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De belastinginspecteur W.J. Beck heeft laten weten dat het bedrijf van appellant in april 1999 was beëindigd. Dit betekent dat appellant slechts de over de maanden januari 1999 tot en met april 1999 verstrekte geldlening moet terugbetalen. Hierbij is van belang dat appellant vanaf mei 1999 als particulier recht had op bijstand op grond van de Abw en dat de Afdeling Zelfstandigen de verstrekte leenbijstand over de periode van mei 1999 tot en met juli 2001 had moeten verrekenen met de door de Afdeling Particulier over die periode te verlenen bijstand. De terug te betalen geldlening over de periode van januari 1999 tot en met april 1999 bedraagt € 3.834,32. Gelet echter op het door het College van het UWV ontvangen bedrag aan WAZ-uitkering van € 7.561,49 heeft appellant nog € 3.727,16 tegoed van het College.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat in het besluit van 25 januari 1999, waarbij de eerder aan appellant toegekende leenbijstand met ingang van 1 januari 1999 is voortgezet, geen datum is bepaald waarop appellant tot terugbetaling was gehouden. Voorts stelt de Raad op basis van de beschikbare gegevens vast dat het College ten tijde van het kwijtscheldingsverzoek van appellant van 2 juni 2008 nog niet definitief had vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre appellant recht had op bijstand om niet over de jaren 1999 tot en met 2001. Uit de onder 1.5 vermelde brief van het College van 5 januari 2007 blijkt dat dit afhankelijk was van de inkomensdervingcomponent van de aan appellant uit te keren schadevergoeding. Op het moment dat appellant zijn kwijtscheldingsverzoek indiende, was echter nog steeds niet bekend hoeveel schadevergoeding appellant zou gaan ontvangen. Dit is pas bekend geworden met de onder 1.8 vermelde brief van 21 juli 2008 van PALS groep letselschade specialisten.

4.2. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1, en aansluiting zoekend bij het bepaalde in artikel 3:307, tweede lid, van het BW, is de Raad, met de rechtbank en het College, van oordeel dat ten tijde hier van belang de rechtsvordering tot terugbetaling van de geldlening over 1999 tot en met 2001 nog niet was verjaard.

4.3. De door appellant in hoger beroep ingenomen stelling dat hij een vordering op het College heeft, omdat in zijn visie de verleende leenbijstand over mei 1999 tot en met juli 2001 had moeten worden verrekend met de algemene bijstand waarop hij in die periode recht had, valt naar het oordeel van de Raad buiten de omvang van het onderhavige geding. In dit geding is immers, gelet op de aard van het kwijtscheldingsverzoek van appellant en de besluitvorming daarop, uitsluitend aan de orde of de rechtsvordering tot terugbetaling van de geldlening over 1999 tot en met 2001 al dan niet was verjaard. Ten overvloede wijst de Raad er nog op dat de door appellant bepleite verrekening, wat daar verder ook van zij, pas aan de orde kan komen bij de definitieve vaststelling van de aan hem - bij wijze van geldlening - verleende leenbijstand.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C. Nijholt.

RB