Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
10-2409 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. De Raad is van oordeel dat de na de WIA-schatting tijdens werkloosheid met behoud van uitkering verrichte stage niet als zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW kan worden aangemerkt nu die arbeid is verricht in het kader van een marginaal beloonde stage op basis van een IRO en derhalve daarbij het opleidings- en re-integratie-element voorop staan. De Raad overweegt dat de beschikbare medische informatie, in het bijzonder de brief van de behandelend psychiater A. Asgarali van 11 juni 2007 en de brief van de sociaal- psychiatrisch verpleegkundige K. Groen van 8 juli 2008, mede-ondertekend door de psychiater C. Roose, geen aanknopingspunten biedt dat appellant in psychisch opzicht dusdanig (ernstig) beperkt was dat hij buiten staat was ten minste één van de WIA-functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2409 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 april 2010, 08/2301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Pierik, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Hollander van 17 augustus 2010.

Bij brieven van 22 en 23 september 2011 heeft mr. Pierik nog nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pierik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 30 juni 2003 werkzaam geweest als chauffeur/besteller postpakketten en is aansluitend in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die uitkeringssituatie heeft hij zich op 5 april 2004 ziek gemeld met linkerenkelklachten en is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verleend. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 30 januari 2006 het spreekuur gezien van de verzekeringsarts G.W.F. Bergkamp, die voor appellant beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van ”sociaal functioneren”, ”aanpassing aan fysieke omgevingseisen”, ”dynamische handelingen” en ”statische houdingen”, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 maart 2006. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige H. Groeneveld functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen kon vervullen en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0,19%. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant per 3 april 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat hij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Aansluitend is appellant wederom een WW-uitkering verstrekt. Inmiddels was appellant vanaf 27 februari 2006 in het kader van een Individuele Re-integratie Overeenkomst (IRO) met behoud van werkloosheidsuitkering stage gaan lopen bij het Westfries Gasthuis als sterilisatieassistent. Deze stage is op 31 december 2006 beëindigd en heeft bij gebrek aan een formatieplaats niet geresulteerd in een aansluitende arbeidsovereenkomst.

1.3. Na een nieuwe ziekmelding met psychische klachten is appellant met ingang van 24 januari 2007 andermaal een ZW-uitkering toegekend. Op 29 maart 2007 is appellant door de verzekeringsarts N. Khalid gezien. Deze verzekeringsarts heeft (psychische) beperkingen toegevoegd in de rubriek ”persoonlijk functioneren” van de FML en heeft de arbeidsdeskundige K. Oud gevraagd of appellant uitgaande van deze toegenomen beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 29 maart 2007, nog in staat was te achten de hem in het kader van de voorgaande WIA-beoordeling voorgehouden functies te vervullen. De arbeidsdeskundige heeft die vraag in haar rapport van 13 april 2007 bevestigend beantwoord. Op het spreekuur van de verzekeringsarts Khalid van 9 mei 2007 is appellant ervan in kennis gesteld dat hij ondanks toegenomen beperkingen onverminderd geschikt is te achten voor de hem voorgehouden functies en is per 10 mei 2007 hersteld verklaard. Met een overeenkomstig besluit van 9 mei 2007 is appellant per 10 mei 2007 ZW-uitkering geweigerd. Bij besluit van 13 juli 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2007 met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.A.W. Haver van 12 juli 2007 ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant in medisch opzicht niet meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangegeven.

1.4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 januari 2008 het beroep tegen het besluit van 13 juli 2007 gegrond verklaard en het besluit van 13 juli 2007 vernietigd vanwege een motiveringsgebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit. Ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts Haver in zijn rapport van 25 februari 2008 een nadere toelichting gegeven op de medische grondslag van de hier in geding zijnde weigering van ziekengeld. Dit heeft geresulteerd in het besluit van 30 juni 2008, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2007 andermaal ongegrond is verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 30 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in het onderhavige geval als maatstaf arbeid heeft te gelden de functies die voor appellant zijn geselecteerd in het kader van de voorgaande WIA-beoordeling, met dien verstande dat het daarbij gaat om elk van de functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer appellant geschikt wordt geacht voor ten minste één van de geselecteerde functies. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven beperkingen. Dat appellant onbehandelbaar zou zijn en zou zijn opgegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan nu uit de medische gegevens van het GGZ is gebleken dat appellant juist goed reageerde op de gesprekken met psychiater A. Asgarali en oriëntatie op de arbeidsmarkt op gang was gekomen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat appellant intensieve begeleiding nodig heeft bij het verkrijgen van werk in beginsel niet betrokken mag worden bij de vraag of er ongeschiktheid tot werken is in de zin van de ZW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 december 2009 afdoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies voldoen aan de (aangescherpte) beperkingen. Nu dit eerst in beroep is geschied resulteert dit, aldus de rechtbank, in een vernietiging van het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep zich beperkt tot de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten.

3.2. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW heeft te gelden de laatstelijk verrichte arbeid als stagiair bij het Westfries Gasthuis. De Raad is evenwel van oordeel dat de na de WIA-schatting tijdens werkloosheid met behoud van uitkering verrichte stage niet als zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW kan worden aangemerkt nu die arbeid is verricht in het kader van een marginaal beloonde stage op basis van een IRO en derhalve daarbij het opleidings- en re-integratie-element voorop staan.

3.3. Voorts heeft appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat hij op 10 mei 2007 in psychisch opzicht dusdanig (ernstig) beperkt was dat hij buiten staat was ten minste één van de WIA-functies te vervullen. De Raad overweegt echter dat de beschikbare medische informatie op of rond de datum in geding, in het bijzonder de brief van de behandelend psychiater A. Asgarali van 11 juni 2007 en de brief van de sociaal- psychiatrisch verpleegkundige K. Groen van 8 juli 2008, mede-ondertekend door de psychiater C. Roose, daarvoor geen aanknopingspunten biedt. De Raad constateert dat in beide brieven wordt gesproken van een depressie in remissie en stelt vast dat uit de in hoger beroep ingebrachte medische informatie naar voren komt dat appellant met een toename van zijn psychische klachten ver na de datum in geding, te weten op 5 april 2011 in behandeling is gekomen. Ook het sociaal-medisch advies van de arts C.M. Koops-Hertogh van 10 februari 2009, die appellant vanwege zijn psychische beperkingen buiten staat acht om enig arbeid te verrichten, leidt de Raad reeds vanwege het tijdsverloop na 10 mei 2007 niet tot een ander oordeel.

3.4. In dit oordeel ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een nader onderzoek door een deskundige te gelasten, zoals door de gemachtigde van appellant is verzocht.

3.5. Hetgeen hiervoor onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat derhalve de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en te komen tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL