Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10-2133 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat er gedurende de hier te beoordelen periode (...) sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en B.. De Raad hecht daarbij met name betekenis aan de verklaringen die betrokkene en B. (...)hebben afgelegd. Betrokkene heeft verklaard dat hij sinds begin april 2009 bij B. woont, dat hij niets hoeft te betalen aan B., dat zij samen boodschappen doen, dat zij samen eten en om de beurt koken, dat de gekochte etenswaren niet apart liggen en dat beiden daarvan gebruik mogen maken, dat zij samen televisie kijken en elkaars toiletartikelen gebruiken. Verder heeft betrokkene verklaard dat zij elkaars kleding wassen en om de beurt schoonmaakwerkzaamheden verrichten. De verklaring van betrokkene komt op deze punten overeen met die van B..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2133 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2010, 09/5928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft A. El Kadi, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Labrans, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving sinds 20 februari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Nadat uit een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van [A.B.] naar voren is gekomen dat betrokkene zijn feitelijk hoofdverblijf heeft op het adres [adres] te [naam gemeente], waar hij een gezamenlijke huishouding voert met hoofdbewoner [B.], heeft appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en is gebruikgemaakt van de resultaten van het tegen [A.B.] ingestelde onderzoek. De bevindingen van het tegen betrokkene ingestelde onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 2009. De resultaten van het onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 20 oktober 2009 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 april 2009 in te trekken. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft verzwegen dat hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

1.3. Bij besluit van 24 november 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 november 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 20 oktober 2009 herroepen en bepaald dat appellant aan betrokkene bijstand verleent naar de voor hem geldende norm vanaf

1 april 2009. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte uit de door betrokkene en [B.] afgelegde verklaringen heeft afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat er sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en [B.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hij geen aanleiding ziet eraan te twijfelen dat de handhavingsspecialisten de verklaringen, die betrokkene en [B.] op 9 oktober 2009 hebben afgelegd, juist hebben weergegeven. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van betrokkene en van [B.] direct door de handhavingspecialisten op schrift zijn gesteld, na optekening aan hen zijn voorgelezen en zij beiden de door hen afgelegde verklaring per pagina hebben ondertekend. Zowel betrokkene als [B.] hebben zich voorts uitdrukkelijk akkoord verklaard met de volgende tekst: “Ik heb kennis genomen van en begrijp bovenstaande verklaring zoals ik deze heb afgelegd. De inhoud van de geschreven verklaring komt overeen met hetgeen ik mondeling heb verklaard.” Daarnaast stelt de Raad vast dat betrokkene enkel ten aanzien van het gezamenlijk gebruik van de boodschappen, de toiletartikelen en het toiletpapier wil terugkomen van zijn verklaring, terwijl die verklaring voor het overige inhoudelijk gedetailleerd en consistent is. De Raad ziet geen aanleiding om aan de rapportages van 15 oktober 2009 en/of de verklaringen van betrokkene en [B.] voorbij te gaan.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat er gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 april 2009 tot en met 20 oktober 2009, sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en [B.]. De Raad hecht daarbij met name betekenis aan de verklaringen die betrokkene en [B.] op 9 oktober 2009 hebben afgelegd. Betrokkene heeft verklaard dat hij sinds begin april 2009 bij [B.] woont, dat hij niets hoeft te betalen aan [B.], dat zij samen boodschappen doen, dat zij samen eten en om de beurt koken, dat de gekochte etenswaren niet apart liggen en dat beiden daarvan gebruik mogen maken, dat zij samen televisie kijken en elkaars toiletartikelen gebruiken. Verder heeft betrokkene verklaard dat zij elkaars kleding wassen en om de beurt schoonmaakwerkzaamheden verrichten. De verklaring van betrokkene komt op deze punten overeen met die van [B.].

4.3. Nu tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning moet, gelet op het voorgaande, worden geoordeeld dat betrokkene ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [B.] en dat hij geen recht op bijstand had naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene heeft door van die gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij DWI de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Aangezien als gevolg van die schending aan betrokkene ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande is verleend, was appellant op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van betrokkene in te trekken.

4.4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond verklaren. Hij merkt in dat verband op dat betrokkene de wijze waarop appellant van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet heeft bestreden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) E. Heemsbergen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij