Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
09-5112 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Het college heeft in redelijkheid van (de) bevoegdheid gebruik kunnen maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant duidelijk moest zijn dat hij essentiële gegevens verzweeg dan wel onjuist voorstelde. In dat verband acht de Raad, net als het college, veelzeggend dat appellant na zijn indiensttreding niet wilde ingaan op het verzoek om zijn Abp-gegevens te overleggen aan de dienst personeelszaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/62
Module Ambtenarenrecht 2013/1363
Module Ambtenarenrecht 2014/1427

Uitspraak

09/5112 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2009, 08/1330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is per 15 september 2005 in dienst getreden bij de gemeente Rotterdam als [naam functie] bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college - voor zover hier van belang - hem met toepassing van artikel 95, eerste lid, aanhef en onder b, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) met onmiddellijke ingang ontslag verleend wegens het voor zijn indiensttreding afleggen van onjuiste verklaringen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2008 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij door het opstellen van een globaal curriculum vitae (cv) op hoofdlijnen geen onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn arbeidsverleden. Het college heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 95, eerste lid, aanhef en onder b, van het AR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend indien hij bij de gemeente voor zijn indiensttreding onjuiste verklaringen heeft afgelegd, dan wel onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen.

4.2. Appellant wordt verweten dat hij in zijn cv onjuiste data heeft vermeld met betrekking tot zijn dienstverbanden, dat hij één dienstverband heeft verzwegen en dat hij een periode waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving heeft verzwegen.

4.3. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat dit verwijt terecht is. Zo heeft appellant in zijn cv opgenomen dat hij van 2002 tot 2005 manager bedrijfsvoering was bij Intergas Energie. Gebleken is echter dat appellant vanaf november 2004 werkloos was en een uitkering ontving na reorganisatieontslag. Dat appellant wel in zijn sollicitatiebrief heeft vermeld dat hij die functie tot begin 2005 vervulde, maakt dat niet anders omdat ook die vermelding niet klopt. Ook heeft appellant ter zake van zijn betrekking bij de gemeente Breda als [naam functie] onjuiste gegevens verstrekt door aan te geven dat die periode liep van 1997 tot 2001, terwijl zijn dienstverband in werkelijkheid duurde van 1 januari 1998 tot 1 juni 2000. Ook bij de overige opgaven van dienstverbanden heeft het college terecht vraagtekens gezet. De Raad onderschrijft de conclusie van het college dat appellant in zijn cv essentiële gegevens heeft verdraaid, waarvan hij wist dan wel had moeten weten dat die belangrijk waren voor het college bij de selectie van een nieuwe [naam functie]. Immers voor een goede selectie van de juiste kandidaat was het voor het college van belang te weten hoeveel ervaring een kandidaat had opgedaan in een vergelijkbare functie bij een andere gemeente, zoals Breda, en hoe lang het geleden was dat een kandidaat een vergelijkbare functie daadwerkelijk had uitgeoefend.

4.4. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, zijn cv tijdig heeft gecorrigeerd en aan het bureau Ebbinge gezonden, heeft hij naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk kunnen maken. Het college heeft gesteld dat men bij de gemeente niet de beschikking had over een aangepast cv, zoals appellant dat in hoger beroep heeft overgelegd. De betrokken functionaris van bureau Ebbinge heeft laten weten zich een en ander niet te kunnen herinneren. Voorts heeft hij verklaard dat hij bij de introductie van kandidaten gebruik maakt van het door de kandidaat opgestelde cv en daarop geen aanvullingen pleegt te maken. De stelling van appellant dat hij voor het feit dat Ebbinge de wijzigingen kennelijk niet heeft doorgegeven niet verantwoordelijk kan worden gehouden, onderschrijft de Raad niet. Het is immers in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van appellant om bij zijn sollicitatie de beoogde nieuwe werkgever van correcte informatie te voorzien.

4.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het college de bevoegdheid toekwam appellant op de gebruikte grond te ontslaan.

4.6. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant duidelijk moest zijn dat hij essentiële gegevens verzweeg dan wel onjuist voorstelde. In dat verband acht de Raad, net als het college, veelzeggend dat appellant na zijn indiensttreding niet wilde ingaan op het verzoek om zijn Abp-gegevens te overleggen aan de dienst personeelszaken.

5. Bij de aangevallen uitspraak is het ontslag terecht in stand gelaten. Die uitspraak moet dan ook worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD