Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10/4021 MAW + 10/4374 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Ontslag wegens wangedrag. Met de minister en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gang van zaken rond de incidenten van maart en april 2009 in dit geval niet meebrengt dat ontslag een onevenredig zware straf is. Betrokkene heeft zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan het zonder toestemming van zijn leidinggevenden gebruik maken van een dienstauto voor privédoeleinden. Verder acht de Raad van belang dat betrokkene in 2000 strafrechtelijk is veroordeeld wegens militaire joyriding en dat hij in januari 2009 erop is aangesproken dat hij geen gebruik maakte van DIDO. Betrokkene was dus een gewaarschuwd man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/56

Uitspraak

10/4021 MAW

10/4374 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juni 2010, 10/1460 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

betrokkene

en

de minister

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en de minister hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. B. Damen, advocaat te Maastricht. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster en R.A. Holtmanns, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Betrokkene was sinds 1979 werkzaam bij de Koninklijke luchtmacht, laatstelijk als [functie] in de rang van sergeant-majoor. De minister heeft betrokkene bij besluit van 21 augustus 2009 per 1 september 2009 ontslag verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkene zich in 2008 en 2009 zeer frequent schuldig heeft gemaakt aan het gebruiken van een dienstvoertuig voor privédoeleinden (militaire joyriding), onder meer in maart en april 2009, alsmede het stelselmatig opzettelijk geen gebruik maken van de applicatie Defensie Intranettoepassing Dienstreis Opdrachten (DIDO).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 21 augustus 2009 herroepen. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat het bestreden besluit bevoegd is genomen door de Directeur Personeel & Organisatie (hierna: DP&O). Verder heeft de rechtbank overwogen dat - alleen - vast staat dat betrokkene van 20 maart tot 23 maart 2009 en van 17 april tot 20 april 2009 een dienstauto voor privédoeleinden heeft gebruikt, zonder dat hij daarvoor toestemming had verkregen van zijn leidinggevenden en zonder dat hij hierbij gebruik heeft gemaakt van DIDO. Dat betrokkene “zeer frequent” een dienstauto voor privédoeleinden heeft gebruikt, achtte de rechtbank onvoldoende aangetoond. Volgens de rechtbank moeten de incidenten in maart en april 2009 als wangedrag worden aangemerkt en kunnen deze aan betrokkene worden toegerekend. Met betrekking tot de vraag of het gegeven ontslag evenredig kan worden geacht aan de ernst van het wangedrag heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat betrokkene na het incident van maart 2009 niet is aangesproken op zijn gedrag. Verder heeft de rechtbank wat betreft het incident van april 2009 van belang geacht dat de leidinggevenden van betrokkene ervan op de hoogte waren dat hij bij de transportleider een dienstauto had aangevraagd voor privédoeleinden en dat de leidinggevenden toch hebben toegelaten dat betrokkene de dienstauto daarvoor heeft gebruikt. Een en ander heeft de rechtbank als onzorgvuldig aangemerkt. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat, gezien deze onzorgvuldigheid, ontslag onevenredig is.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in de hoger beroepen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1 Betrokkene heeft in zijn hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de DP&O bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. De Raad volgt betrokkene hierin. Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Mandaatbesluit uitvoerende bevoegdheden AMAR is aan de commandanten van de operationele commando’s mandaat verleend om ontslag te verlenen aan militairen met de rang die betrokkene had. Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Ondermandaatbesluit uitvoerende bevoegdheden CLSK uit 2006 is met betrekking tot deze bevoegdheid ondermandaat verleend aan de Directeur Operationele Ondersteuning. Uit de stukken blijkt dat in 2007 een nieuw bestuursmodel is ingevoerd, waarbij de staf van het Commando Luchtstrijdkrachten werd gevormd door vier functionele directeuren, waaronder de DP&O. In verband hiermee bestond het voornemen om in een nieuw mandaatbesluit vast te leggen aan welke functionarissen de diverse personeelsbevoegdheden zouden worden toebedeeld. Zoals de gemachtigde van de minister ter zitting heeft bevestigd, is nagelaten een dergelijk mandaatbesluit vast te stellen. Een en ander brengt mee dat de DP&O niet bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. Reeds hierom is het bestreden besluit niet houdbaar en heeft de rechtbank dat op zichzelf terecht vernietigd.

4.2. De minister heeft het bestreden besluit bekrachtigd. De Raad zal daarom bezien of de rechtbank bij de inhoudelijke beoordeling aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.3. De minister heeft in hoger beroep rittenstaten uit 2008 en 2009 ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat betrokkene zeer frequent althans regelmatig gebruik heeft gemaakt van een dienstauto voor privédoeleinden. De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat deze rittenstaten te laat zijn ingediend en wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten. Hierbij overweegt de Raad dat betrokkene in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om gemotiveerd te reageren op deze stukken en dat hij dit ook heeft gedaan. Niet in geschil is dat betrokkene heeft nagelaten om voorafgaand aan de desbetreffende ritten zijn leidinggevende, al dan niet via DIDO, toestemming te vragen voor gebruik van een dienstauto ten behoeve van deze ritten. Naar het oordeel van de Raad moet, mede gelet op de door de minister op de rittenstaten gegeven toelichting, worden vastgesteld dat het hierbij ging om een aantal ritten met een privékarakter. Het betoog van betrokkene dat de ritten, die onder meer tot doel hadden het thuis ophalen van sportspullen of het diensttenue, als dienstgerelateerd kunnen worden beschouwd en daarom rechtmatig moeten worden geacht, volgt de Raad niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat voor het aannemen van een dienstreis vereist is dat de leidinggevende vooraf toestemming heeft gegeven, hetgeen hier niet het geval was, en dat los daarvan het thuis bewaren van sportspullen en het diensttenue een eigen keuze van betrokkene was.

4.4. Betrokkene heeft verder aangevoerd dat het veel vaker voorkwam dat dienstvoertuigen werden gebruikt voor privédoeleinden, zonder dat hierbij een aanvraag bij de leidinggevende werd gedaan. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad dat het bestaan van een cultuur waarin een dergelijk gebruik van dienstvoertuigen als normaal werd beschouwd, voor de Raad niet is komen vast te staan. De minister heeft met betrekking tot de door betrokkene genoemde gevallen gemotiveerd betwist dat sprake was van ontoelaatbaar privégebruik.

4.5. Met de minister en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gang van zaken rond de incidenten van maart en april 2009 in dit geval niet meebrengt dat ontslag een onevenredig zware straf is. Betrokkene heeft zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan het zonder toestemming van zijn leidinggevenden gebruik maken van een dienstauto voor privédoeleinden. Verder acht de Raad van belang dat betrokkene in 2000 strafrechtelijk is veroordeeld wegens militaire joyriding en dat hij in januari 2009 erop is aangesproken dat hij geen gebruik maakte van DIDO. Betrokkene was dus een gewaarschuwd man. De Raad acht het gegeven ontslag wegens wangedrag niet onevenredig aan de ernst van de daarvoor in aanmerking genomen gedragingen. Uit het voorgaande volgt dat de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zal laten.

5. De Raad ziet aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 29 januari 2010 is herroepen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat de minister aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht van € 224,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

K. Moaddine.

De griffier is buiten staat om te ondertekenen.

NK