Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10/3151 WWB + 10/3152 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen hoofdverblijf meer in de gemeente. Schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Niet is gebleken dat zij als gevolg van haar psychische situatie dan wel medicijngebruik niet in staat was een verklaring af te leggen. Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode een kwetsbare psychische gezondheid had en dat zij in verband daarmee een aantal malen is opgenomen. Anders dan appellante stelt, kan aan de opnamen niet de conclusie worden verbonden dat zij haar hoofdverblijf in Rotterdam heeft behouden. Reden van sepot strafzaak: de bestuursrechter is niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3151 WWB

10/3152 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2010, 09/3168 en 09/3169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Oversluizen, advocaat te Rotterdam hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. J. Oversluizen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 7 juli 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en Bijstand (WWB). Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam (GBA) van 14 november 2000 tot en met 2 oktober 2008 ingeschreven op het adres [adres 1] te [naam gemeente] en vanaf 3 oktober 2008 op het adres [adres 2] te [naam gemeente]. Appellante is moeder van twee kinderen, een zoon geboren op [geboortedatum] en een dochter geboren op [geboortedatum]. De zoon van appellante heeft gezondheidsproblemen waarvoor hij in [naam gemeente] wordt behandeld.

1.2. In verband met psychische problemen is appellante een aantal malen opgenomen in instellingen voor geestelijke gezondheid. In de periode van 2 mei 2007 tot en met 6 juni 2007 is zij opgenomen op afdeling Psychiatrie van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. In de periode van 5 november 2007 tot en met 21 februari 2008 heeft zij samen met haar dochter verbleven in het Regionaal Psychiatrisch Centrum te Woerden (hierna: RPC Woerden) en van 15 juli 2008 tot en met 10 oktober 2008 in het Máxima Medisch Centrum te Veldhoven.

1.3. Op 2 september 2008 heeft de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: dienst SoZaWe) telefonisch informatie ontvangen, inhoudende dat appellante zou samenwonen met haar vriend in [plaatsnaam] op het adres [adres 3]. Naar aanleiding van deze informatie is in opdracht van de dienst SoZaWe een onderzoek ingesteld door de sociale recherche van de gemeente Rotterdam. In dat kader is onderzoek ingesteld in het bijstandsdossier van appellante en is informatie ingewonnen in het politieregister en bij verschillende instanties, waaronder het GBA en de energiemaatschappij Eneco. Voorts zijn (voormalige) bewoners van het adres [adres 1] en de [adres 2] te [naam gemeente] als getuigen gehoord, evenals omwonenden van de [adres 3] te [plaatsnaam]. Op 30 januari 2009 is appellante verhoord op het kantoor van de dienst SoZaWe te Rotterdam. Van de bevindingen van het onderzoek is een proces-verbaal opgemaakt dat op 26 februari 2009 is afgesloten.

1.4. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 24 februari 2009 de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2007 ingetrokken op de grond dat zij sinds 1 augustus 2007 haar hoofdverblijf niet meer in [naam gemeente] maar in [plaatsnaam] heeft, zodat zij vanaf die datum geen recht heeft op bijstand jegens de gemeente Rotterdam.

1.5. Bij afzonderlijk besluiten van eveneens 24 februari 2009 heeft het College van appellante de kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 24.795,70 over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 december 2008, en tot een bedrag van € 1.026,28 over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2009.

1.6. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College tevens aanleiding geweest om bij het arrondissementsparket Rotterdam aangifte te doen van valsheid in geschrifte c.q. het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting op grond van de WWB. Bij kennisgeving van 6 augustus 2009 heeft de officier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam appellante meegedeeld dat hij besloten heeft haar niet (verder) te vervolgen omdat haar gezondheidstoestand een vervolging in de weg staat.

1.7. Op 31 maart 2009 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 2 april 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen omdat appellante na 24 februari 2009 geen nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het College heeft kunnen oordelen dat zij recht op bijstand heeft.

1.8. Bij besluit van 4 september 2009 heeft het College het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van

2 april 2009 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

1.9. Bij besluit van 7 september 2009 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2009 ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante in ieder geval vanaf 1 augustus 2007 haar hoofdverblijf niet meer in [naam gemeente] heeft gehad. Zij heeft hiervan geen melding gemaakt en daarmee de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan aan haar ten onrechte bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door appellante ingestelde beroepen tegen de besluiten van 4 en 7 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting heeft zij te kennen gegeven dat het hoger beroep alleen betrekking heeft op het besluit van 7 september 2009. Appellante blijft bij haar standpunt dat zij haar hoofdverblijf niet heeft verplaatst van [naam gemeente] naar [plaatsnaam]. Zij was in verband met de medische behandeling van haar zoon aan [naam gemeente] gebonden en heeft nooit de intentie gehad [naam gemeente] te verlaten. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de door haar overgelegde medische gegevens. Uit die gegevens blijkt dat sprake was van bijzondere omstandigheden. De bijstand is, volgens appellante, dan ook ten onrechte beëindigd. Haar gezondheidssituatie bracht tevens mee dat zij niet in staat was het College in te lichten over haar opname in verschillende instellingen. Ook is de rechtbank ten onrechte aan haar argumenten voorbijgegaan dat de getuigenverklaringen van de voormalige bewoners van de [adres] niet betrouwbaar waren. Door het stopzetten van de uitkering is zij met diverse problemen geconfronteerd. Zij heeft haar woning in [naam gemeente] moeten opgeven, hetgeen leidde tot een slopende procedure over het gezag van haar zoon, die juist gebaat is bij behandeling in [naam gemeente]. Hierin had het College aanleiding moeten zien om geheel van terugvordering af te zien dan wel deze te matigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep is uitsluitend in geschil de intrekking van de bijstand per 1 augustus 2007 en de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 januari 2009. Het College heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 augustus 2007 tot en met 24 februari 2009.

4.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woont, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante vanaf 1 augustus 2007 feitelijk woonachtig was in [plaatsnaam] en niet meer in [naam gemeente], zodat zij geen recht op bijstand had jegens de gemeente [naam gemeente]. Ook de Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante op 30 januari 2009 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring dat zij vanaf juli /augustus 2007 haar hoofdverblijf in [plaatsnaam] kreeg. Voorts heeft zij de vraag of zij haar hoofdverblijf ergens anders had dan dat zij opgaf aan Sociale Zaken bevestigend beantwoord. De verklaring van appellante wordt ondersteund door de getuigenverklaringen. Voorts blijkt uit afschriften van haar bankrekening dat zij vanaf eind 2007 hoofdzakelijk (pin)betalingen in [plaatsnaam] deed. Anders dan appellante stelt, heeft de rechtbank met betrekking tot de verklaringen van de voormalige bewoners aan de [adres 1] terecht en afdoende overwogen dat de enkele omstandigheid dat zij aangifte tegen hen heeft gedaan, niet maakt dat die verklaringen daarom voor onjuist moeten worden gehouden. De Raad wijst er op dat de verklaringen van deze bewoners overeenstemmen met de verklaring van appellante en met de overige onderzoeksbevindingen.

4.4. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere ontkenning geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Niet is gebleken dat zij als gevolg van haar psychische situatie dan wel medicijngebruik niet in staat was een verklaring af te leggen. Appellante heeft dit ter zitting van de rechtbank erkend en uit de door haar overgelegde medische stukken blijkt ook niet dat zij op 30 januari 2009 niet in staat was een reële verklaring af te leggen.

4.5. Ook volgt de Raad appellante niet in haar stelling dat zij als gevolg van haar gezondheidssituatie niet in staat was het College in te lichten over haar verblijf in het RPC Woerden en het Máxima Medisch Centrum. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat appellante gedwongen is opgenomen. Gedurende de opnames is zij regelmatig met verlof geweest. Voorts heeft zij in de periode in geding, ook gedurende de periodes van opname, telkens haar maandelijkse inlichtingenformulieren ingevuld en tijdig geretourneerd aan de dienst SoZaWe. Uit appellantes eigen verklaring en de verklaringen van de getuigen blijkt dat zij regelmatig haar post ophaalde in [naam gemeente].

4.6. Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode een kwetsbare psychische gezondheid had en dat zij in verband daarmee een aantal malen is opgenomen. Anders dan appellante stelt, kan aan de opnamen niet de conclusie worden verbonden dat zij haar hoofdverblijf in [naam gemeente] heeft behouden. Uit de verklaringen van appellante tegenover de sociale recherche blijkt immers dat zij al voor de geboorte van haar dochter, derhalve voor de opname in het RPC Woerden feitelijk haar hoofdverblijf in [plaatsnaam] had. Uit de door appellante ingebrachte rapportage van het RPC Woerden blijkt verder dat appellante tijdens haar behandeling in de weekeinden regelmatig in [plaatsnaam] verbleef, dat zij zich na ontslag uit het RPC Woerden bij haar vriend in [plaatsnaam] zou vestigen en dat in die regio nazorg zou worden geregeld. Voorts valt uit de medische stukken af te leiden dat terugkeer naar [naam gemeente], gelet op appellantes gezondheidsituatie, niet wenselijk was. Weliswaar heeft appellante via een urgentieprocedure per oktober 2008 een andere woning in [naam gemeente] verkregen, maar uit de bevindingen van het onderzoek - de Raad wijst op de verklaringen van de bewoners in de [adres 2] en de gegevens van het energieverbruik - is gebleken dat zij die woning nooit daadwerkelijk is gaan bewonen en een nieuw hoofdverblijf in [naam gemeente] niet meer van de grond is gekomen.

4.7. De aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de overgelegde medische stukken slaagt dan ook niet.

4.8. Dat geldt ook voor de ter zitting aangevoerde grond dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de reden van het sepot van de strafzaak. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 januari 2011, LJN BP3307 - gaat de bestuursrechter immers met betrekking tot de vraag waar of een college terecht tot intrekking en terugvordering is overgegaan uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante door geen melding te maken van de wijzigingen in haar woonplaats de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor haar ten onrechte bijstand is verleend.

4.10. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 augustus 2007. Appellante heeft de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.11. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College ook bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Het College voert het beleid dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien in het geval van - onder meer - dringende redenen. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor een uitkeringsgerechtigde. Daarvan is in het geval van appellante niet gebleken. In het bijzonder kan uit de beschikbare gegevens niet worden opgemaakt dat de terugvordering tot gevolg heeft gehad dat appellante haar woning op het adres [adres 2] heeft moeten opzeggen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd over de (gevolgen van de) opzegging van die woning ziet de Raad evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van zijn beleid inzake terugvordering had moeten afwijken.

4.12. Het hiervoor in 4.1 tot en met 4.11 overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. van Dam.

HD