Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
11-3 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing verzoek om vergoeding van € 3.000,- voor de aanschafkosten van een nieuwe garderobe in verband met gewichtstoename wegens het gebruik van het voorgeschreven antidepressivum Zoloft. Hoger beroep niet-ontvankelijk. 2) Bij nader besluit wordt alsnog € 750,- toegekend. Volgens een vaste gedragslijn van de minister wordt de tegemoetkoming beperkt tot een bedrag dat is bedoeld om in een overgangsperiode van een jaar nieuwe kleding te kopen. In art. 20 van de Voorzieningenregeling is vastgelegd dat de financiële tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van de door het Nibud vastgestelde normen. Volgens deze normen bedragen de kosten van een kledingpakket voor een volwassen man € 50,- per maand. De minister heeft in verband met de bijzondere zorgplicht voor een militair met een dienstverbandaandoening dit bedrag voor het overgangsjaar nog iets verhoogd naar € 750,-. De minister kon de toegekende tegemoetkoming in redelijkheid op dit bedrag vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2010, 08/2665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie, (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Appellant is - met bericht - niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is een gewezen majoor van de Koninklijke luchtmacht. Met ingang van 1 juni 1999 is hij uit de militaire dienst ontslagen. Omdat appellant lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis, waarvoor dienstverband is aangenomen, is hem in 2003 een uitkering toegekend op basis van een invaliditeitspercentage van 55.

In augustus 2004 heeft appellant een verzoek gedaan om vergoeding van € 3.000,- voor de aanschafkosten van een nieuwe garderobe in verband met gewichtstoename wegens het gebruik van het hem voorgeschreven antidepressivum Zoloft.

Dit verzoek is aanvankelijk bij besluit van 16 september 2004, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 februari 2008, afgewezen.

1.2. Hangende het tegen dit besluit bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de minister op 9 december 2009 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van appellant alsnog gegrond werd verklaard en aan hem een bedrag van € 750,- is toegekend als tegemoetkoming in de kosten van de vervanging van de garderobe.

2. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 9 december 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. Met het besluit van 9 december 2009 heeft de minister het eerdere afwijzende besluit van 21 februari 2008 feitelijk ingetrokken. Terecht heeft de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 9 december 2009, geoordeeld dat appellant geen belang meer had bij een inhoudelijke toetsing van dat besluit en om die reden het beroep, voor zover daartegen gericht, niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Ingevolge de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (de Regeling) is de minister bevoegd een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van de vervanging van een garderobe in verband met de invaliditeit van de betrokkene.

In hoger beroep staat aldus ter beoordeling de vraag of de minister de aan appellant toegekende vergoeding in redelijkheid heeft kunnen bepalen op € 750,-.

3.3. Volgens een vaste gedragslijn van de minister wordt in gevallen als de onderhavige de tegemoetkoming beperkt tot een bedrag dat is bedoeld om in een overgangsperiode van een jaar nieuwe kleding te kopen. In overeenstemming met de Regeling, waarin sprake is van een tegemoetkoming, wordt er geen integrale vergoeding verleend om in één keer de hele garderobe te vervangen. Deze vaste gedragslijn wordt door de Raad, evenals door de rechtbank, niet als onjuist of onredelijk aangemerkt.

3.4. In artikel 20 van de Regeling is vastgelegd dat de financiële tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van de door het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting vastgestelde normen. Volgens deze normen bedragen de kosten van een kledingpakket voor een volwassen man € 50,- per maand. De minister heeft in verband met de bijzondere zorgplicht voor een militair met een dienstverbandaandoening dit bedrag voor het overgangsjaar nog iets verhoogd naar € 750,-. Naar het oordeel van de Raad kan daarom niet worden gezegd dat de minister de toegekende tegemoetkoming niet in redelijkheid op dit bedrag heeft kunnen vaststellen.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. de Jong.

HD