Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10-1209 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van dringende redenen om appellant volledig ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB bedoelde verplichtingen. Er is geen grond voor het oordeel dat de advisering door de GGD onzorgvuldig of onjuist is geweest, zodat het College de adviezen, die vrijwel geheel met elkaar overeenstemmen, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat geen sprake is van een medische eindsituatie overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank op dit punt. Hij voegt daaraan toe geen grondslag te zien voor het standpunt van appellant dat Passchier onvoldoende aandacht heeft gegeven aan een mogelijke neurologisch-auditieve stoornis. Zowel uit de anamnese als uit de conclusie blijkt dat Passchier kennis droeg van en ook rekening heeft gehouden met andere klachten van appellant, waaronder de zojuist genoemde stoornis, dan die welke het bewegingsapparaat betreffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1209 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 januari 2010, 09/2064 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en daarbij nadere stukken gevoegd.

Partijen hebben zich vervolgens nader schriftelijk over de zaak uitgelaten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Harmelen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het College appellant met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ontheven van zijn sollicitatieplicht. Deze ontheffing gold tot 23 mei 2008.

1.2. In het kader van een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden is appellant op 30 juli 2008 medisch onderzocht door L.K. Liem, adviserend geneeskundige van de GGD. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage bijstand van 3 september 2008. Hierin wordt geconcludeerd dat appellant in staat is om 20 uur per week een traject te volgen en dat dit eventueel na een half jaar kan worden uitgebreid naar fulltime arbeid.

1.3. Bij besluit van 8 september 2008 heeft het College aan appellant meegedeeld dat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen wordt gewijzigd, in die zin dat appellant geschikt wordt geacht maximaal 20 uur per week te kunnen werken.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de in het besluit van 8 september 2008 vervatte vaststelling dat hij maximaal 20 uur per week kan werken. Naar aanleiding van dit bezwaar en de door appellant overgelegde stukken, waaronder twee brieven van zijn huisarts van 13 oktober 2008, heeft het College de GGD om een medische keuring gevraagd. In de rapportage van 15 december 2008 heeft W. Passchier, adviserend geneeskundige van de GGD, geconcludeerd dat appellant arbeidsgeschikt is, waarbij een beperking tot maximaal 20 uur per week zinvol is.

1.5. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het College het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij, samengevat, aangevoerd dat de geneeskundige onderzoeken niet deugdelijk en onvolledig zijn. Zo blijkt volgens appellant uit de rapportages dat niet alle klachten zijn onderzocht en is de conclusie van geneeskundige Passchier niet gebaseerd op volledige informatie omdat de medische informatie van de specialist daarin niet is betrokken. Tevens stelt appellant dat er geen sprake is van een medische eindsituatie waardoor de belastbaarheid niet vastgesteld kan worden.

3.2. Het College heeft, onder verwijzing naar zijn besluit van 1 juni 2010, waarbij appellant om medische redenen tot en met 28 februari 2011 is ontheven van zijn sollicitatieplicht en van de verplichting om gebruik te maken van voorzieningen gericht op werk, in verweer aangevoerd dat appellant niet langer een processueel belang heeft bij de materiële uitkomst van het geding. In reactie op dat besluit heeft appellant gesteld dat uit de vaststelling dat appellant volledig arbeidsongeschikt is blijkt dat de eerdere medische beoordelingen onjuist zijn geweest omdat de medische situatie van appellant de afgelopen jaren niet is veranderd. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij is verwikkeld in een bezwaarprocedure in verband met de afwijzing van de mvv-aanvraag van zijn echtgenote. De onderhavige procedure is van belang voor de verblijfsrechtelijke procedure van zijn echtgenote.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat appellant belang heeft bij een oordeel van de Raad over het besluit van 9 februari 2009, nu niet op voorhand onaannemelijk is dat appellant rechtstreeks belanghebbende is in de mvv-procedure van zijn echtgenote en appellant uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat hierin voor hem een belang is gelegen.

4.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat, indien voor het vaststellen van feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf beschikt, gebruik kan worden gemaakt van advisering door daartoe door het bestuursorgaan in te schakelen deskundige adviseurs. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruikt maakt, zich ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gekomen en welke procedure bij het tot stand komen van die adviezen is gevolgd.

4.3. De Raad stelt vast dat het College bij zijn besluitvorming is uitgegaan van de rapportages van de GGD van 30 juli 2008 en 15 december 2008. De rapportage van 30 juli 2008 is gebaseerd op eigen onderzoek door GGD-arts Liem. De rapportage van 15 december 2008 is gebaseerd op eigen onderzoek door GGD-arts Passchier en informatie van de huisarts, en bevat tevens een overzicht van die informatie. De stelling van appellant dat de rapportage van Passchier niet is gebaseerd op volledige informatie omdat de medische informatie van de specialist daarin niet is betrokken, deelt de Raad niet. Dat de door Passchier bij de specialist opgevraagde informatie niet is ontvangen, maakt de advisering niet ondeugdelijk. Overigens had appellant zelf stappen kunnen ondernemen om informatie van zijn behandelend specialist te verkrijgen, nu hij kennelijk van opvatting is dat kennisneming van die informatie van belang is. De Raad komt met de rechtbank tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat de advisering door de GGD onzorgvuldig of onjuist is geweest, zodat het College de hiervoor vermelde adviezen, die vrijwel geheel met elkaar overeenstemmen, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat geen sprake is van een medische eindsituatie overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank op dit punt. Hij voegt daaraan toe geen grondslag te zien voor het standpunt van appellant dat Passchier onvoldoende aandacht heeft gegeven aan een mogelijke neurologisch-auditieve stoornis. Zowel uit de anamnese als uit de conclusie blijkt dat Passchier kennis droeg van en ook rekening heeft gehouden met andere klachten van appellant, waaronder de zojuist genoemde stoornis, dan die welke het bewegingsapparaat betreffen.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om appellant volledig ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB bedoelde verplichtingen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

HD