Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10-4851 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. Appellant wordt arbeidsgeschikt geacht, en dat er fysieke beperkingen zijn ten aanzien van zwaar rugbelastend werk en dat hij trajectgeschikt is voor scholing en voor overdracht sociale activering. Het College heeft daarmee in voldoende mate gepreciseerd hoe de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB moet worden ingevuld. De Raad ziet geen grond ervan uit te gaan dat er bij die concrete invulling geen reële afspraken zouden kunnen worden gemaakt over de mogelijkheid voor appellant om zich regelmatig te vertreden zodat hij niet te lang aaneengesloten behoeft te zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4851 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2010, 09/1028 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.T.J.A. Kicken, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kicken en door zijn dochter [naam dochter], die als tolk heeft gefungeerd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Nadat appellant had aangegeven dat hij vanwege medische beperkingen niet aan alle verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB kan voldoen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden van appellant om arbeid te verrichten. In dat kader heeft T. Pelzer, arts bij de GGD Zuid Limburg, afdeling Sociaal Medische Zorg (SMZ), een medisch onderzoek verricht en op 18 februari 2008 advies uitgebracht.

1.3. Bij besluit van 5 maart 2008, voor zover hier van belang, heeft het College aan appellant meegedeeld dat de onder artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB genoemde verplichtingen op hem van toepassing zijn. Het College heeft daarbij verwezen naar de conclusie van het advies van T. Pelzer dat appellant arbeidsgeschikt wordt geacht, dat er fysieke beperkingen zijn ten aanzien van zwaar rugbelastend werk en dat hij trajectgeschikt is voor scholing en voor overdracht sociale activering.

1.4. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2. De Raad begrijpt het onder 1.3 genoemde besluit, voor zover van belang, dat het College daarbij heeft geweigerd appellant met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.3. In hoger beroep is de uitkomst van het medisch onderzoek niet langer bestreden. Appellant heeft echter aangevoerd dat er niet alleen een medisch onderzoek maar tevens een arbeidskundig onderzoek had moeten worden verricht. Alleen op die wijze is, uitgaande van de medische beperkingen, de belastbaarheid van appellant te duiden. Door middel van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dan wel een soortgelijke toets had hieraan invulling gegeven kunnen worden, hetgeen echter is nagelaten. Het is daarom volgens appellant niet duidelijk of en in hoeverre zijn beperkingen een belemmering vormen voor scholing en sociale activering. Appellant heeft altijd aangegeven dat hij niet langdurig kan zitten, maar daaraan is volgens appellant ten onrechte voorbijgegaan. Appellant heeft nog verwezen naar een brief van 22 juli 2009 van zijn medisch adviseur, de bedrijfsarts dr. A. de Wolf. Daarin wordt gewezen op het ontbreken van een FML, waardoor niet bekend is hoe lang appellant kan zitten.

4.4. De Raad is van oordeel dat in de WWB of de daarop rustende regelgeving geen bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het College gehouden is om bij een besluit als het onderhavige uitputtend aan te geven van welke specifieke voorzieningen die het College zou kunnen aanbieden, de betrokkene gelet op diens beperkingen gebruik kan maken. In het besluit van 5 maart 2008 is vermeld dat appellant arbeidsgeschikt wordt geacht, dat er fysieke beperkingen zijn ten aanzien van zwaar rugbelastend werk en dat hij trajectgeschikt is voor scholing en voor overdracht sociale activering. Het College heeft daarmee in voldoende mate gepreciseerd hoe de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB moet worden ingevuld. De Raad ziet geen grond ervan uit te gaan dat er bij die concrete invulling geen reële afspraken zouden kunnen worden gemaakt over de mogelijkheid voor appellant om zich regelmatig te vertreden zodat hij niet te lang aaneengesloten behoeft te zitten.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) E. Heemsbergen.

IJ