Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
08/7356 WWB + 11/2424 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nieuwe besluit (intrekking en terugvordering bijstand over een bepaalde periode) is op juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak (BP4774).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7356 WWB

11/2424 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008, 08/1330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Voor het procesverloop verwijst de Raad eerst naar zijn tussenuitspraak van 8 februari 2011, LJN BP4774 (hierna: tussenuitspraak). Bij die uitspraak heeft de Raad het College opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 7 februari 2008 (hierna: eerste besluit) te herstellen door het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van hetgeen de Raad in de tussenuitspraak heeft overwogen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het College bij besluit van 17 maart 2011 (hierna: nieuwe besluit) de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 7 april 2003 tot en met 25 mei 2003 en een bedrag van € 1.628,31 van appellant teruggevorderd. Verder heeft het College appellant een vergoeding toegekend voor kosten van de bezwaarprocedure.

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat te Tilburg, desverzocht bij brief van 28 april 2011 zijn zienswijze gegeven over de wijze waarop het College het gebrek hersteld heeft.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een tweede onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij volhardt in de overwegingen en beslissingen die hij in de tussenuitspraak heeft gegeven.

2.1. Zoals in de tussenuitspraak onder 4.4 is overwogen dient het besluit van 7 februari 2008 te worden vernietigd op de daar vermelde grond. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het eerste besluit zal gegrond verklaard worden.

2.2. De Raad stelt vast dat, nu met het nieuwe besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

2.3. Nu appellant in zijn zienswijze over het nieuwe besluit heeft meegedeeld dat het College met dat besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak en daartegen geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd, moet het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond worden verklaard.

3. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 322,-- voor de aanvullende gronden in beroep en op € 483,-- voor het hoger beroepschrift en de zienswijze in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2008 gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2011 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 705,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD