Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10-3369 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit met betrekking tot weigering WUV-uitkering. Geen nieuwe medische gegevens of feiten. Dat de jongere zuster van appellante wel is gelijkgesteld met de vervolgde kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het hier een individuele beoordeling betreft van de gevolgen van oorlogservaringen voor de gezondheidstoestand van betrokkenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3369 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 april 2010, kenmerk BZ 48720, JZ/P60/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Namens appellante is verschenen

mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië. In februari 2008 heeft zij aan verweerder verzocht om op grond van de Wuv of de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) te worden erkend als vervolgde, respectievelijk burger-oorlogsslachtoffer in de zin van die wetten. Bij besluiten van 26 september 2008 is hierop afwijzend beslist. In het kader van de Wuv is het standpunt ingenomen dat ten aanzien van appellante van vervolging niet is gebleken. Met het oog op een mogelijke gelijkstelling met de vervolgde op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden om te bezien of de psychische klachten van appellante een gevolg zijn van het overlijden van haar vader door vervolging. Hierbij is geconcludeerd dat het overlijden van de vader van appellante een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij het ontstaan van haar psychische klachten. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de besluiten van 26 september 2008.

1.2. In juli 2009 is namens appellante verzocht om herziening van het besluit van 26 september 2008 inzake de Wuv. Hierbij is aangevoerd dat een twee jaar jongere zuster van appellante wel is gelijkgesteld met de vervolgde en dat dit dus ook bij appellante zou moeten gebeuren. Bij besluit van 23 september 2009 is hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.

2. In beroep is namens appellante in hoofdzaak aangevoerd dat naast de eigen oorlogservaringen van appellante ook het overlijden van haar vader een grote impact op haar heeft gehad en mede haar psychische klachten heeft veroorzaakt. Er zou niet voldoende inzichtelijk zijn gemaakt waarom deze gebeurtenis daarbij een ondergeschikte rol heeft gespeeld.

3. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de bevindingen en conclusies bij het medische onderzoek dat in september 2008 heeft plaatsgevonden, het standpunt gehandhaafd dat wel degelijk voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom niet het overlijden van de vader van appellante maar vooral de eigen traumatische ervaringen van appellante in de oorlog en tijdens de Bersiap-periode de oorzaak zijn van haar psychische klachten. Nu er bij het onderhavige verzoek om herziening geen nieuwe medische gegevens of feiten zijn ingebracht en ook de door de geneeskundig adviseur bij de huisarts ingewonnen informatie geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd, achtte verweerder de uitgebrachte medische adviezen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.

4. De Raad kan verweerder hierin volgen en overweegt daartoe als volgt.

4.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dit besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, waarbij aan verweerder een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

4.2. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd, die verweerder bij de besluitvorming in het verleden niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om het eerder genomen besluit te herzien.

4.3. De Raad moet vaststellen dat appellante bij haar nu aan de orde zijnde aanvraag opnieuw naar voren heeft gebracht dat het overlijden van haar vader wel degelijk invloed heeft gehad op het ontstaan van haar psychische klachten. Deze argumenten kunnen naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als nieuwe gegevens die verweerder bij het eerdere besluit niet bekend waren. Dat de jongere zuster van appellante wel is gelijkgesteld met de vervolgde kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het hier een individuele beoordeling betreft van de gevolgen van oorlogservaringen voor de gezondheidstoestand van betrokkenen.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. de Jong.

CVG