Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
08-6023 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De geduide functies zijn, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6023 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 september 2008, 08/747 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij was onder meer gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 14 april 2009.

Desgevraagd heeft het Uwv ontbrekende stukken ingezonden.

Bij brieven van 19 februari 2010, 16 mei 2010 en 16 juni 2010 heeft appellant nadere reacties ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 19 januari 2011 heeft appellant een aanvullende reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. De Raad heeft het geding ter zitting gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder de nummers 10/2802 WAO en 10/5830 WAO.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brieven van 2 maart 2011en 6 april 2011 heeft appellant opnieuw zijn standpunt kenbaar gemaakt.

Bij brief van 20 april 2011 heeft het Uwv nieuwe stukken in het geding gebracht, waaronder een beslissing op bezwaar van 20 april 2011. Het geding over dit besluit is bij de Raad geregistreerd onder nummer 11/2521 WAO.

Op de stukken van 20 april 2011 heeft appellant bij brief van 20 mei 2011 gereageerd.

Op de nadere zitting van 2 september 2011 zijn de zaken hervat in de stand waarin zij zich bevonden. Tevens is het geding in de zaak 11/2521 WAO gevoegd behandeld. Aanwezig waren appellant en namens het Uwv mr. Vermeijden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst, waarna de Raad heden afzonderlijk uitspraak doet in dit geding en het geding met de nummers 10/2802 WAO, 10/5830 WAO en 11/2251 WAO.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het Uwv – onder toepassing van het tot 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (oSB) – de WAO-uitkering van appellant, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 22 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 21 januari 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv – voor zover thans nog van belang – het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting over de bij hem bestaande klachten en beperkingen met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden staande gehouden. Ook acht hij de bij het bestreden besluit in aanmerking genomen functies niet haalbaar. Met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen heeft appellant gesteld dat het Uwv daarbij ten onrechte een deeltijdfactor van 0,8926 hanteert.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De medische grondslag van het bestreden besluit berust op de resultaten van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, neergelegd in een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.G. Bekkering van 7 december 2007. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van dit rapport, waarin tevens is meegewogen het rapport van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 15 februari 2007 in een andere bezwaarprocedure en een expertise-rapport van orthopedisch chirurg dr. P.A.M. Winkelman van 30 maart 2004. De Raad onderschrijft volledig het gemotiveerde oordeel van de rechtbank daarover. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie in het geding gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie ten tijde hier van belang. Bij dit oordeel heeft de Raad ook betrokken het in hoger beroep door het Uwv ingediende rapport van bezwaarverzekeringsarts Joosten van

14 april 2009, vermeld in rubriek I van deze uitspraak.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 19 juli 2007, is ook de Raad van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapporten van de arbeidsdeskundige

R.B. van Vliet van 5 september 2007 en bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking van 15 januari 2008 is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant.

4.3. Onder verwijzing naar het besprokene op de zittingen van de Raad van 4 februari 2011 en 2 september 2011 laat de Raad de kwestie van – kort gezegd – de zogeheten deeltijdfactor buiten beschouwing, nu deze buiten de omvang van dit geding valt.

4.4. Ter zitting van de Raad heeft appellant naar aanleiding van vragen van de Raad verklaard zich overigens te kunnen vinden in de berekening van het maatmaninkomen, zoals neergelegd in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Peters van 3 februari 2011, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 van 50,84%, dus vallend in de klasse 45 tot 55%.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.J. Penning.

NW

j