Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
11-5714 WWB-VV + 11-5715 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Voldoende spoedeisend belang. Niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5714 WWB-VV

11/5715 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2011, 11/2085 en 11/2568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker heeft de Nigeriaanse nationaliteit en ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 19 november 2010 heeft het College de bijstand van verzoeker met ingang van 1 december 2010 beëindigd op de grond dat verzoeker niet (langer) beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het College de aanvraag om bijstand van verzoeker van 17 december 2010 afgewezen op de grond dat niet gebleken is dat verzoeker ten tijde van de aanvraag van 17 december 2010 wel recht op bijstand zou hebben. Bij besluit van 13 april 2011 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van 14 maart 2011 en 13 april 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat vaststaat dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Dit betekent dat het College verzoeker gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB ook in geval van zeer dringende redenen geen bijstand mag verlenen. Het beroep dat verzoeker op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gedaan slaagt volgens de rechtbank niet.

3. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

4.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.4. Niet in geschil is dat verzoeker, ten tijde hier van belang, geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen bijstand worden verleend.

4.5. Verzoeker heeft enkel aangevoerd dat hij, vanwege zijn HIV-infectie, een kwetsbare burger is. Op grond daarvan stelt hij dat de Staat in het licht van artikel 8 van het EVRM verplicht is hem te helpen. De Raad wijst echter op zijn uitspraken van 19 april 2010 (LJN BM1992) en 29 juni 2011 (LJN BR1060), waaruit volgt dat ook in het geval sprake is van de beschermende werking van artikel 8 van het EVRM de beperkte doelstelling van de WWB met zich brengt dat de positieve verplichting van de Staat niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven, maar dat die rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond om in zijn geval anders te oordelen.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

HD